De laatste week

Het vorige bericht plaatsten we vanuit de Oekraïnse stad Lviv, waar we hoopten de ketting en tandwielen van Derek z’n motor te kunnen vervangen. Gelukkig vonden we een Yamaha dealer met behulpzaam personeel, dat er voor zorgde dat de volgende ochtend alle onderdelen in huis waren. De nieuwe kettingset was snel gemonteerd en nog diezelfde dag zetten we de reis voort naar Krakow, waar we begin van de avond arriveerden bij een net hostel waar we onze eigen tweepersoonskamer kregen. Krakow heeft een heel mooi en gezellig centrum, maar het was ontzettend toeristisch. We hoorden meer Engels om ons heen dan Pools en elke tien meter kwam er wel weer een propper naar ons toe om ons er van te overtuigen dat hun bar/club/stripclub toch echt de beste in Krakow was.

We hadden één volle dag in Krakow, waarvan we de helft hadden besteed aan een bezoek aan Auschwitz. Ook daar stonden veel touringcars met toeristen, maar toch vonden we het aardig indrukwekkend. Iedereen kent de verhalen over Auschwitz wel en ik herinnerde me het plaatje van de poort met de tekst “Arbeit Macht Frei” nog goed van de geschiedenislessen, maar als je daar rondloopt en alles in het echt ziet worden deze verhalen toch wel kracht bijgezet.

Vanuit Krakow reden we via Slovenië naar Tsjechië, helaas was het de hele dag regenachtig. We kochten lunch in een supermarkt in Slovenië, waar we ineens weer met de Euro moesten betalen. Dat was overigens maar tijdelijk, want een paar uur later zaten we in Tsjechië, waar ze nog Kronen hebben. We vonden een camping in het oosten van Tsjechië en konden gelukkig met droog weer de tentjes opzetten. De volgende dag reden we over binnendoor-wegen naar Praag, waar ik ’s avonds een vriend van mij van het vliegveld heb opgehaald. Gerwin kwam ons voor een kort weekend vergezellen en die zaterdag hebben we dan ook flink de toerist uitgehangen. We hebben enkele keren over de beroemde Karelsbrug gelopen, veel cafés bezocht en in een gekke bui een tour gedaan op Segways, wat overigens best leuk en lachwekkend was.

Nadat we zondagochtend afscheid hadden genomen van Gerwin reden we de grens over naar Duitsland, waar we iets ten oosten van de Harz een camping vonden. We keken uit naar een dagje door de Harz rijden, want we wisten nog van het voorgaande jaar dat het daar erg leuk rijden is. Helaas reden we vrijwel de hele dag door de stromende regen, waardoor er niets aan was. Het was zelfs koud en de versleten noppenbanden hadden weinig grip op het natte wegdek. Na de lunch besloten we de wat meer doorgaande wegen te nemen om de Harz uit te rijden en dan een camping te zoeken. Toen we de Harz uit reden hield de regen gelukkig op en voor de laatste keer deze reis zetten we onze tentjes op. De laatste dag stelden we de TomTom in op Zelhem en ‘snelwegen vermijden’, waardoor we via leuke wegen Nederland weer in reden. Onze ouders stonden al klaar op de straat om ons te ontvangen. In de tuin hingen zelfs slingers, en samen met familie praatten we nog wat na met thee en taart. Daarna scheidden onze wegen en was het avontuur officieel afgelopen.

Zie hieronder voor het laatste filmpje, met filmmateriaal vanaf Georgië. In het vorige verhaal had ik beschreven dat we in Oekraïne een paar Hells-Angel-types hadden ontmoet en dat ze ons allerlei spullen gaven, onder andere een muziek-cd. De muziek onder dit filmpje komt van deze cd!

We willen iedereen die onze verhalen heeft gevolgd ontzettend bedanken! Het was veel werk om de website up-to-date te houden, maar alle leuke reacties en het feit dat zoveel mensen de website bezochten, maakten het alleszins de moeite waard. In de afgelopen vijf maanden hebben we ruim 26.000km gereden, 20 landen bezocht, verschillende culturen beleefd, veel onverwachte dingen meegemaakt en ontelbaar veel mensen ontmoet. Ondanks dat we de geplande route niet helemaal hebben kunnen volgen, hebben we het enorm naar ons zin gehad en ervaren we de reis als een groot succes. Of we in de toekomst ooit weer een dergelijke reis willen ondernemen? Moet jij eens opletten!

Wodka en corrupte agenten

Saaie weg Rusland Allereerst, een teleurstelling: helaas zit er dit keer bij het bericht geen video, aangezien de omgeving de afgelopen weken niet erg spectaculair was en er dus weinig filmmateriaal is. Bij thuiskomst zal ik nog een filmpje samenstellen van de laatste maand.

Na het plaatsen van het vorige bericht zijn we nog een dag in Tbilisi gebleven. Tbilisi was absoluut de moeite waard, veel leuke restaurantjes en cafés, sommige met live muziek. Wel was het erg toeristisch, overal zagen we mensen met backpack en we hebben genoeg Nederlands om ons heen gehoord.

Vanuit Tbilisi loopt er een weg dwars door de “Great Caucasus” naar Vladikavkaz in Rusland, deze weg heet de Military Highway en is door het Russische leger aangelegd om hun troepen beter te kunnen verplaatsen, in de tijd dat ze Georgië bezet hadden. Deze weg loopt ook door de toeristische plaats Kazbegi, populair onder bergwandelaars. Kazbek Helaas was het zodanig bewolkt dat we de top van Mount Kazbek (ruim 5km hoog) niet echt konden zien. We verbleven in een homestay dat werd gerund door een heel vriendelijke familie. Er werd tevens voor diner gezorgd en dat was, zoals vaak het geval bij homestays, erg lekker. Je krijgt dan meestal lokale gerechten die je vaak niet bij restaurants kan krijgen (hoe vaak kun je in Nederland hutspot krijgen in een restaurant…).

We wilden graag paragliden in deze mooie omgeving, maar we kregen te horen dat er teveel wind stond. Gelukkig was het de volgende ochtend beter weer, waardoor we om 10uur alsnog konden paragliden! Het bedrijfje dat het paragliden organiseert wordt gerund door een Oekraïner en twee Russen, die ons in een oude afgeragde 4×4 in zo’n 10 minuten een berg/heuvel op reden. Vanuit daar stegen we op en na een paar minuten waren we aardig hoog gestegen. We betaalden voor 15 minuten vliegen, maar ik geloof dat we wel een half uur in de lucht zaten. Lekker door de lucht zweven met uitzicht op de omliggende bergen, top!

Na het paragliden stapten we weer op de motor om de Military Highway te vervolgen naar Rusland. We begonnen met slecht weer, maar toen we in Rusland eenmaal het Kaukasus gebergte uit reden werd het direct zo’n 25 graden en zonnig, eindelijk! We stopten voor lunch in de stad Vladikavkaz, die was boven verwachting modern (wederom gratis WiFi op straat), maar zag er gezellig uit. De rest van de dag werden we 4 keer aangehouden bij militaire check-points, waarbij de eerste het langst duurde omdat we daarbij Noord-Ossetië verlieten. Al vrij snel werd ons door de militairen wodka aangeboden. Welkom in Rusland! Toen we dit afsloegen kregen we alsnog een fles water, erg vriendelijk. Bij het volgende checkpoint probeerden ze geld van ons te krijgen. Nadat we zo’n 10 keer njet hadden gezegd begrepen ze het geloof ik wel en konden we weer door. Bij de volgende checkpoints waren ze gewoon geïnteresseerd, maar het werd al laat en we hadden geen zin om elke 10km een half uur te moeten wachten, dus we leerden dat de snelste methode is: vriendelijk handen schudden, zeggen waar je heen gaat en dan vrij snel weer de helm opzetten en de motor starten. Overigens was dit de enige dag dat we militaire stops hadden, de daaropvolgende dagen zijn we geen enkele keer meer aangehouden.

De volgende dag wilden we richting Volgograd rijden, maar aangezien dit 700km was hadden we niet gepland om dit in één dag te doen. De wegen waren echter boven verwachting goed, er was weinig verkeer en we konden aardig doorrijden. Tussen onze verblijfplaats en Volgograd bleek er echt NIETS te zijn. Eettentje in Rusland We reden door een soort steppe omgeving, redelijk plat landschap en vrij saai. Gelukkig vonden we nog een leuk Russisch eettentje voor de lunch, waar we besloten dat we de resterende 300km naar Volgograd ook nog wel konden doen. Die avond vonden we met hulp van een heel vriendelijk jong stel een hostel, verstopt in een flatgebouw waar we moesten aanbellen bij nummer 25, zonder bordjes voor een Hostel. Zonder het behulpzame stel zouden we het nooit hebben gevonden. We hadden erg geluk met het hostel, waar we de enthousiaste medewerkster Nastya ontmoetten. Ze vond het leuk om samen met ons de volgende dag wat sightseeing in de stad te doen en omdat ze zelf vrijwel geen Engels sprak bracht ze een vriend mee, Andrew, die goed Engels kon.

De naam Volgograd zei ons in eerste instantie niet zoveel, maar toen we er achter kwamen dat dit vroeger Stalingrad heette werd het een stuk interessanter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Stalin zijn leger keihard laten vechten (gedurende 200 dagen) om Volgograd te verdedigen. Uiteindelijk hebben ze hier het Duitse leger weten te verslaan, maar deze slag heeft enorm veel doden tot gevolg gehad. De stad staat dan ook vol met monumenten die hieraan herinneren en we hebben het belangrijkste monument bezocht op een heuvel in de stad, met het indrukwekkend grote standbeeld “Mother Russia”. Naast wat sightseeing activiteiten hebben we in verschillende barretjes wat gedronken, de typisch Russische soep Borsch gegeten, en belandden we in een leuke kleine bar die we zonder Nastya en Andrew nooit gevonden zouden hebben. De volgende dag hebben we samen met Nastya ge-relaxed op het strand aan de rivier de Volga, met uitzicht op de skyline van Volgograd.

Vanuit Volgograd reden we naar de grote stad Rostov-na-Donu. Het was wederom een lange rit van bijna 500km door een enigszins saai landschap. Rostov was een aardig leuke stad, met weinig bezienswaardigheden maar leuk genoeg om een dagje door rond te slenteren.

We besloten dat we nog niet weg wilden uit Rusland en we reden naar de kustplaats Gelendzhik. Ook in Rusland is het vakantieseizoen en deze zeer toeristische plaats (weliswaar Russische toeristen) zat vol met barretjes, restaurants, live muziek en cafés met slechte karaoke. Door het toerisme is het er ook niet echt goedkoop, dus we besloten om de volgende dag de grens over te steken naar Oekraïne.

Om Oekraïne via De Krim binnen te rijden moesten we een klein stukje met een boot. Nadat we de grensformaliteiten van Rusland waren gepasseerd moesten we even wachten op de boot en na ongeveer 20 minuten kwamen we al aan in Oekraïne, waar de grensformaliteiten gek genoeg erg lang moesten duren (we zijn nu toch juist weer in Europa?). We zijn nu niet echt een bezienswaardigheid meer voor de lokalen, er rijden hier genoeg grote motoren rond en we spraken nog wat motorrijders uit Rusland, Tsjechië en Slowakije. We vonden een camping aan het strand in een minder toeristische plaats, waar we besloten een dag extra te blijven om te relaxen en ons te verdiepen in Oekraïne en een planning te maken. Alles was hier weer mooi goedkoop, een halve liter bier kost 1 euro, eten kost rond de 3 a 4 euro en de camping 2.5 euro per persoon. Het sanitair bestaat dan wel uit een gat in de grond in een onwijs smerig hok en er is geen douche (wel een zee…), maar voor 2 nachten vonden we dat prima.

Na zo’n anderhalve dag aan het strand vonden we het tijd om weer door te gaan en reden we naar de plaats Bakhchysarai. Vanuit daar hebben we een dagtrip gemaakt naar wat bezienswaardigheden aan de kust. Oekraïne is vrijwel hetzelfde als Rusland, althans het gedeelte dat wij hebben gezien. Alles is wat moderner dan verwacht, de wegen zijn beter dan verwacht, iedereen spreekt Russisch en maar weinig spreken er Engels. De menukaarten zijn onbegrijpelijk dus soms kiezen we maar een willekeurig gerecht dat later een magere salade blijkt te zijn…

De Krim is een leuke bestemming in Oekraïne, al merkten we wel dat we in de topdrukte van het hoogseizoen zaten. Er waren niet zozeer veel Europese toeristen, maar wel veel Russen. Buiten de Krim heeft Oekraïne niet bijzonder veel te bieden, afgezien van een klein gebergte in het Zuidwesten en een paar leuke steden. De leukste (en bekendste) stad is Kiev, volgens velen het thuisland van ’s werelds mooiste vrouwen. Daar wilden we dus heen!

We deden er twee dagen over om naar Kiev te rijden. Tijdens de lunchpauze op de eerste dag begonnen er een paar “Oekraïnse Hells Angels” met ons praten, in het Russisch uiteraard. Motorvrienden Ondanks dat we er niets van begrepen bleven ze doorpraten, handen schudden, omhelzen en een sterke drank drinken. Het enige woord dat ze konden vertalen was “respect”, ze hadden duidelijk respect voor ons… En terecht, natuurlijk.  Toen wilden ze wat weggeven aan ons, dus we kregen badges, een pen, een cd met muziek (nog niet kunnen beluisteren) en een bus deodorant (was dat een hint?). Toen ze weggingen kregen we direct onze lunch geserveerd door de serveerster, die volgens ons deze ruige mannen niet durfde te storen. Zo maak je toch weer wat mee, ondanks dat we alweer in Europa zitten!

’s Avonds in Kiev liepen we door een tunnel om een weg over te steken, toen twee politieagenten om onze paspoorten vroegen. Die hadden we niet bij ons, dus lieten we onze id-kaarten zien. Dat vonden ze niet genoeg, dus moesten we meelopen naar het politiebureau. Prima, dus wij volgden ze wat donkere stegen in. Ze liepen stevig door en keken geen enkele keer om naar ons, dus wij stopten even toen ze een bocht om liepen om te kijken of ze terug zouden keren. Dat deden ze niet, dus keerden wij om – we hadden genoeg gelezen over corrupte politieagenten en dachten dat ze gewoon op smeergeld uit waren. De agenten waren alsnog omgekeerd en pakten ons bij onze schouders en zeiden, met een zwaar Russisch accent, “This is problem! You walked away, this is problem!”. Wij vroegen om hun ID en die kregen we te zien, het leek aardig echt (voor zover wij dat konden inschatten) en aangezien ze ook met handboeien en knuppel en dergelijke rondliepen, geloofden we ze wel. De agenten zeiden dat het politiebureau maar 600 meter zou zijn, dus wij volgden ze weer. Eén van de agenten legde uit dat zijn baas een boete zou uitschrijven van omgerekend 120 euro, die we de volgende dag bij de bank zouden moeten betalen. Als we niet waren weggelopen zou het 60 zijn geweest, maar nu is het 120. Wij geloofden er geen snars van en geloofden ook niet dat er in die donkere steegjes ergens een politiebureau zou zitten. Ineens zei de agent: “Maybe, maybe, we don’t go to police station and you pay only 30 now..”. Toen wisten we zeker dat het een corrupte boel was en we zeiden dat we graag naar het politiebureau wilden. De reactie was: “OK, you can go, next time bring passport” en de agenten liepen weg. Het was achteraf erg grappig en we hadden ons er eigenlijk al over verbaasd dat we zo weinig hadden gemerkt van de corruptie in Rusland en Oekraïne, ondanks dat deze landen daar toch echt om bekend staan.

De volgende dag hadden we ’s avonds met Jane afgesproken, een Britse vrouw die we in Tbilisi hadden leren kennen en we wisten dat we ook tegelijkertijd in Kiev zouden zijn. We hadden een leuke avond, waarbij we op een plein goedkope biertjes zaten te drinken. Op een gegeven moment raakten we in gesprek met een paar lokale studenten, die ons uitnodigden in een appartement dat later van een vriend van hen bleek te zijn, die er helemaal niet bij was. In dat appartement dronken we de rest van de nacht wodka (dat moest er toch eens van komen) en rond 3 uur ’s nachts kwamen we met de taxi aardig beschonken terug in ons hostel. We leerden over een aantal gebruiken omtrent het wodka drinken, een voorbeeld daarvan is dat een fles wodka altijd op moet en nooit halfleeg in de koelkast gezet mag worden… en wie zijn wij nou om hun tradities te breken?

Op 24 augustus was het Oekraïens “Independence Day”, waarop het de hele dag feest zou zijn in de stad. Uiteindelijk bleek dit vooral te bestaan uit veel slechte muziek/karaoke en familiespelen, maar het werd wel afgesloten met een mooie vuurwerkshow. Verder moeten we het eens zijn met de geruchten: de vrouwen in Kiev zijn mooi! Eigenlijk geldt dat zelfs voor vrijwel alle plaatsen die we in Oekraïne en Rusland hebben gezien…

Na Kiev reden we zo’n 500km naar de stad Lviv in het westen van Oekraïne. Onderweg vloog bij Derek de ketting ineens van de motor, die we langs de weg gelukkig vrij snel weer konden terugzetten. De ketting was met off-road rijden al eens eerder er af gevlogen en heeft toen een aardige klap gehad. We moesten de laatste tijd steeds vaker de ketting spannen en dat is een teken dat het aardig versleten is. Inmiddels zijn de ketting en tandwielen echt helemaal versleten en het is niet echt meer rijd-baar. We vonden in Lviv een Yamaha dealer, maar aangezien het deze maandag een vakantiedag was in verband met Independence Day, moeten we helaas wachten tot dinsdag voordat we het (hopelijk) kunnen vervangen.

Zodra de motor van Derek gerepareerd is willen we naar Krakow om o.a. Auschwitz te bekijken. Daarna rijden we via Slowakije naar Tsjechië, waar volgend weekend een vriend van mij ons komt vergezellen voor een gezellig weekend Praag. Daarna gaat het snel en we verwachten op 3 of 4 september al thuis te komen!

Dag Iran, hallo Kaukasus

Allereerst wederom bedankt voor alle reacties. Als antwoord op de vraag van Atie en Joop: We hadden inderdaad helemaal geen problemen met tanken. In Iran hebben ze geen Euro95, maar een octaangehalte van 85 of 90. Onze motoren hebben daar gelukkig helemaal geen problemen mee. Verder kunnen we zo’n 400km rijden zonder te tanken en we hebben 2 liter in een jerrycan. Ook zonder jerrycan was dat genoeg in de landen waar we tot nu toe geweest zijn. En Joke, bedankt voor je tips in Armenië, zoals je hieronder kunt lezen/zien hebben we ze opgevolgd!

Autogarages Iran Het vorige verhaal eindigde ik met de opmerking dat we de Russische visa konden ophalen. Helaas kregen we bij het consulaat te horen dat we toch 10 dagen extra zouden moeten wachten op ons visum. Dat zagen we niet zitten (en dan zou ons visum ook weer verlopen) dus we besloten om het in Georgië te gaan regelen. We reden over een mooie route in twee dagen richting Tabriz. Onderweg waren de bouten van mijn carterbeschermer losgetrild, waardoor deze ineens over de grond sleepte. Het was onmogelijk om daarmee door te rijden dus ik zette de motor direct aan de kant, waar toevallig zo’n vijf autogarages naast elkaar zaten. Binnen vijf minuten was alles weer gefixt, terwijl ik in Nederland ongetwijfeld nieuwe onderdelen had moeten bestellen bij Yamaha. Top!

In Tabriz verbleven we op een soort camping, waar Bernard en Heiko al eerder hadden gestaan. De camping was gratis en inclusief toilet, douche en zelfs wifi. ’s Avonds hadden we afgesproken met Amin, degene die ons de vorige keer toen we in Tabriz waren had uitgenodigd in zijn huis. We reden naar een restaurant buiten de stad voor een heerlijke kebab en daarna een wandeling over een berg aan de rand van het stadscentrum, met mooi uitzicht over de stad. Inmiddels was de ramadan begonnen en we waren erg blij met een de kebab (’s avonds na zonsondergang uiteraard), aangezien we al twee dagen op koekjes leefden (alle restaurants zijn overdag gesloten).

Er bleek maar 1 grensovergang naar Azerbeidzjan te zijn die open is voor toeristen, en die ligt aan de kust van de Kaspische zee. We moesten dus nog zo’n 350km rijden om tot de grens te komen, maar gelukkig was het een mooie rit die vooral in de tweede helft bestond uit bochtige bergwegen.  Pas rond 16.30uur kwamen we bij de grens aan en na alle formaliteiten en pogingen tot geld aftroggelen stonden we bij een van de laatste kantoortjes van de grensovergang, namelijk de douane van Azerbeidzjan. Zij eisten een paar duizend dollar borg voor de motoren, die we terug zouden krijgen als we bij de grens van Georgië aankomen. Dat moest er voor zorgen dat wij de motoren niet verkopen in hun land, zonder dat er invoerbelasting over is betaald. Dit is precies waarvoor de carnet de passage is uitgevonden, waarvoor we 3000 euro borg hebben betaald, maar Azerbeidzjan werkt niet met dit document. Uiteindelijk mochten we na lang discussiëren en het laten zien van onze carnets door zonder borg te betalen, gelukkig maar! We hoorden later dat er een paar andere motorrijders waren teruggekeerd bij de grens omdat ze de borg niet wilden/konden betalen, dus we zijn blij dat we hebben volgehouden! Pas tegen 20.00 uur reden we Azerbeidzjan in en met een ondergaande zon achter de bergen reden we naar Lenkoran, de eerste stad in Azerbeidzjan, om een hotel te zoeken. Azerbeidzjan is meteen een volstrekt ander land dan Iran en het deed me meer denken aan Rusland, mede door de grote hoeveelheid Lada’s. Vrijwel elke auto is ofwel een Lada, ofwel een oude Mercedes. De wegen zijn een stuk slechter, de mensen zien er anders uit, overal wordt alcohol verkocht… we zijn zeker niet meer in Iran!  Met hulp van een dronken taxichauffeur vonden we een hotel. Helaas liggen de prijzen in Azerbeidzjan een stuk hoger, een hotel voor minder dan 30 euro per kamer is vrijwel onvindbaar.  Gelukkig hadden ze een restaurant bij het hotel en uitgeput na een lange dag genoten we van een lekkere maaltijd en het eerste biertje sinds een maand!

Vanuit Lenkoran reden we naar Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan. We hebben in dit land nog steeds veel bekijks en ook hier zijn de mensen over het algemeen heel vriendelijk. Bij een tankstation kreeg ik een vlaggetje van Azerbeidzjan en die werd direct aan de motor geknoopt. Gelukkig is de benzine in dit land overigens nog wel goedkoop, met 55-60ct per liter. Ongeveer 50km voor Bakoe kwamen we langs een verzameling modder-vulkanen, die we zonder hulp van de lonely planet nooit gevonden zouden hebben. Het was een grappig gezicht: een serie kleine volkaantjes waar elke paar seconden wat gas naar boven komt en daardoor blubber uit de vulkaan wordt geduwd. Daarna reden we de resterende 50km naar Bakoe, met zicht op de Kaspische zee en veel olievelden. Eenmaal in Bakoe werd duidelijk dat het een heel moderne en rijke stad is. Er rijden nog steeds wel wat oude Lada’s rond, maar het overgrote deel zijn moderne nieuwe auto’s waaronder een hoop Mercedes, BMW en Porsche. Veel hoge gebouwen zien er als nieuw uit en zijn in het donker mooi verlicht.

In Bakoe waren aardig wat toeristen en terwijl we in de zon op een terras een biertje dronken bij de lunch, besloten we dat het voor het eerst sinds tijden als vakantie voelt in plaats van reizen. We hebben twee dagen in Bakoe besteed en daarna reden we naar het bergachtige noorden van Azerbeidzjan. De eerste twee uur was een vrij saaie snelweg, met uitzicht op steppe landschap en langs de kust veel olievelden. Het laatste uur veranderde de omgeving ineens en reden we over slingerende wegen door uitgestrekte groene valleien.

Uiteindelijk kwamen we uit in het dorpje Xinaliq, het hoogst gelegen bewoonde dorp van Azerbeidzjan. Winkeltje Xinaliq Het grootste gedeelte van het jaar is het dorp onbereikbaar, waardoor veel traditionele gewoontes en kleding bewaard zijn gebleven. We vonden een guesthouse waar we voor een schappelijk bedrag in de tuin mochten kamperen en waar we  diner en ontbijt kregen. In een soort Russisch supermarktje konden we een biertje kopen en na een wandeling door het mooie landschap dronken we deze voor onze tent met uitzicht op de prachtige groene bergen, terwijl het langzaam donker werd

De volgende bestemming, Lahic, lag ongeveer 40km ten westen van Xinaliq. Afgezien van het feit dat er geen (goede) wegen tussen  de twee plaatsen liggen, is dat een militair berggebied en is het onmogelijk om die afstand zo eenvoudig te overbruggen. We moesten daarom helemaal terug naar Bakoe, om vanuit daar weer richting het Noord-Westen te rijden. Na deze rit van al met al zo’n 350km kwamen we bij een soort camping in de mooi gelegen plaats Lahic, waar we besloten twee nachten te blijven om weer eens een relax-dag in te lassen. Van de relax-dag is weinig terecht gekomen, afgezien van een rustig opstaan. Om 11.00 uur begonnen Heiko, Bernard en ik aan een wandeling  door de bergen, waar we pas om 17.00 uur van terugkwamen. Verder heb ik in Lahic een schapenvel gekocht voor op mijn zadel, dat schijnt goed te zijn tegen de zadelpijn. Op het moment van schrijven kan ik vermelden dat het inderdaad wat beter is geworden!

De volgende bestemming was maar zo’n 2 uur rijden, dus rond lunchtijd zaten we al in de plaats Seki. Daar vonden we een slaapplaats in een zogenaamde homestay, wat in dit geval inhoudt dat een heel vriendelijke en aardig Engels sprekende man een soort guesthouse in zijn tuin heeft. Dit keer hadden we echt een rustdag, waarop we veel onderzoek hebben gedaan voor de volgende landen, visa en grensovergangen. Verder hebben we nog een oud paleis bezocht en uiteraard weer lekker gegeten en gedronken.

Derek en ik zaten te wachten bij een schoenmaker waar Derek zijn kapotgelopen schoenen liet repareren, toen er een man begon te praten tegen onze Duitse medereizigers. Nu gebeurt dat vrij vaak, maar dit keer was het een vrij grappig gesprek. Deze man had een probleem met zijn auto. Hij kon precies aanwijzen welk onderdeel kapot was, maar omdat hij de naam van dit onderdeel niet wist vond hij het lastig om te zoeken naar een vervangend onderdeel. Aangezien het een Duitse auto betrof (Opel) en deze twee toeristen uit Duitsland kwamen, had hij goede hoop dat zij hem wel de naam van dit onderdeel konden vertellen. De Duiters hebben nog een poging gewaagd, maar konden helaas niet helpen. Ik realiseerde me niet hoe grappig deze situatie was, tot ik me probeerde voor te stellen hoe het zou zijn om in Amsterdam aan een willekeurige Japanner te vragen of hij mijn Yamaha kan repareren – da’s toch immers een Japanse motor? Overigens is het opvallend dat, afgezien van in Bakoe, vrijwel iedereen een oude auto rijdt terwijl de politie nieuwe BMWs gebruikt.

Met veel bewolking – en dat hebben we de laatste maand niet vaak meegemaakt – reden we weg uit Seki richting de grensovergang naar Georgië. Dit was sinds de grensovergang naar Turkije verreweg de meest eenvoudige en binnen een uur reden we Georgië in. De overgang was een stuk minder groot dan vanuit Iran naar Azerbeidzjan. Er reden nog steeds veel Lada’s, al zagen we minstens zo veel Mercedes, BMW, Opel en VW, die vrijwel allemaal uit Duitsland geïmporteerd worden. Veel van deze auto’s hebben ook nog Duitse (of Nederlandse) reclame stickers.

Het gebied in het oosten van Georgië (Kakheti) is een bekend wijngebied en we passeerden dan ook veel wijngaarden. De lucht was aardig opgeklaard en begin van de middag lunchten we in de zon in de plaats Telavi. We wilden natuurlijk wel een wijnproeverij doen bij een van de wijnboeren in de regio en hoopten dat we daar dan ook konden kamperen; wijnproeven en motorrijden leek ons namelijk geen goede combinatie. Na bij een aantal wijnboeren geweigerd te zijn voor kamperen gaven we het op en reden we terug nar Telavi, waar we een leuk een betaalbare guesthouse vonden. Vanuit daar zijn we alsnog met de taxi naar een wijnproeverij geweest, waar we na een korte rondleiding met mooi uitzicht een paar wijnen hebben geproefd.

Vanuit Telavi reden we wederom met bewolking richting Tbilisi (zouden we dan echt weer richting het Europese weer rijden)? Gelukkig werd het weer steeds beter en over een mooie bochtige weg met grotendeels goed asfalt reden we Tbilisi in. In Tbilisi hebben we niet veel sightseeing gedaan, maar vooral tijd besteed aan het zoeken van een motorgarage. Het voorwiel van mijn motor was weer wat krom getrokken, waarschijnlijk als gevolg van de blijkbaar tijdelijke reparatie na het ongeluk in Turkije. Verder waren de banden echt versleten, we hadden ze in Griekenland laten monteren en inmiddels zijn we toch al zo’n 13.000km verder en dat is geen verkeerde prestatie voor de banden. We hadden de nieuwe banden sinds Turkije al bij ons en die wilden we nu laten monteren. Helaas blijken er geen motorgarages te bestaan in Georgië. Uiteindelijk vonden we een autobanden zaak die het wel zag zitten om de banden te wisselen en met een beetje hulp van ons is dit goed gelukt.

Voor het kromme voorwiel vonden we een fietsenmaker (fietsen hebben immers ook spaakwielen, het idee is hetzelfde) die wel een monteur wist, waar we de volgende dag terecht konden. De fietsmonteur maakte een begin aan het rechtzetten van het voorwiel, maar kwam tot de conclusie dat er 1 spaak vervangen moet worden. Hij wist nog een paar autozaken te zitten waar ook een motormechanicus tussen zou zitten, zo’n 20km verderop, maar ook daar hadden we geen succes.  Het wiel is inmiddels al iets rechter en er zat weinig anders op dan maar gewoon hopen dat het niet erger wordt en doorrijden. Zo gezegd zo gedaan en een uur later staken we de grens over naar Armenië. De oversteek ging bijzonder soepel, afgezien van een opmerkelijke gebeurtenis. We wisten al dat Armenië en Azerbeidzjan geen vrienden waren, daarom waren immers alle grensovergangen tussen die twee landen dicht en moesten we via Georgië rijden. Maar, de Armeniërs haten Azerbeidzjan blijkbaar zo erg, dat er een grensbeambte naar de motor van Derek liep om de sticker van de Azerbeidjaanse vlag van zijn zijkoffer af te scheuren. Ik besefte me niet meteen wat er nou gebeurde, want zoiets verwacht je toch niet? Maar tja, je kan er moeilijk wat van zeggen tegen zo’n grensbeambte.

Dinner in de homestay Door een mooi groen bergachtig gebied leidde een kronkelige weg ons naar Dilijan, een plaatsje in de bergen waar de Duitse medereizigers reeds een geschikt guesthouse hadden gereserveerd. Het was redelijk bewolkt en niet zo warm, de temperatuur zakte zelfs tot onder de 20 graden (dat is inmiddels koud voor ons) en onderweg werden we nog overvallen door een regenbui, dat hadden we toch al lang niet meer meegemaakt. ’s Avonds had de gastvrouw een lekker diner bereid en samen met een aantal andere reizigers en vakantiegangers (wat precies het verschil is tussen reizen en vakantie brainstormen we al maanden over) genoten wat van de lokale gerechten.

Vanuit Dilijan reden we langs het Sevan meer richting de hoofdstad Jerevan. De zogenaamde strand-resorts aan het meer zijn erg vervallen en bestaan o.a. uit omgebouwde zeecontainers. Toen we even stilstonden bij een van deze sovjet-stranden, werden we uitgenodigd voor thee. Dat sloegen we natuurlijk niet af, dus we gingen mee naar een soort strandhuisje (dat klinkt luxer dan het in werkelijkheid was) waar een hele familie een week verbleef. Een van de familieleden sprak een klein beetje Engels en zo konden we toch nog een beetje communiceren. We werden volgestopt met thee, koffie, koekjes, brood en kaas. Ook werden we uitgenodigd om bij hen te verblijven in hun huis elders in het land. Het voelde weer even of we in Iran waren, met deze geweldige gastvrijheid. Na ongeveer anderhalf uur en nadat iedereen op de foto was geweest met/op de motoren vertrokken we weer richting Jerevan. Inmiddels was ik aardig verkouden geworden en met flinke keelpijn liep ik langs de apotheker om de rest van de dag met Strepsils in de hotelkamer door te brengen.

De volgende dag voelde ik me gelukkig iets beter, maar een dagje uitzieken in het hotel klonk wel als een verstandig plan en dan hadden we meteen de tijd om de resterende tijd in Armenië en Georgië te plannen. De volgende dag hebben we alsnog wat sightseeing gedaan in Jerevan. Er is niet bijzonder veel te bekijken maar met de honderden cafe’s en restaurants heerst er vanaf eind van de middag een erg leuke sfeer.

De volgende ochtend vertrokken we vroeg om de twee mooiste kloosters in Armenië te bekijken, namelijk het Geghard klooster en Khor Virap. De eerste was gelegen in een mooie bergachtige omgeving, maar verder was het er te druk met toeristen. We reden door naar Khor Virap, die vooral bekend staat om het uitzicht op Mt Ararat, de berg waar de Ark van Noach ooit gestrand zou zijn. We hadden helaas pech met het weer, de bewolking zorgde er namelijk voor dat we vrijwel niets van Mt Ararat zagen. Het klooster was daarmee een stuk minder indrukwekkend en ook hier was het overvol met toeristen. Sisian We reden door naar de volgende attractie, een soort Stonehenge. Hier was het ook erg druk, maar dit keer met toeristen in eigen land, namelijk zo’n 50 mensen uit Jerevan. We hadden wat leuke gesprekken met wat mensen uit Jerevan, maar de attractie zelf stelde weinig voor. We besloten door te rijden naar de plaats Goris, in het zuiden van Armenië.

Vanuit daar hebben we de volgende dag het klooster in Tatev bekeken, die is normaliter mooi te benaderen met een cable-car die van de ene bergtop naar de andere gaat. Helaas werkte die op maandag niet, dus hebben wij alles met de motor gedaan. Een mooie route, maar we misten wel het uitzicht vanuit de lift. Na alle moskeeën in Iran zijn we blij dat we nu kerken kunnen bekijken, maar na de zoveelste beginnen ze ook wel een beetje op elkaar te lijken.

We reden door naar Nagorno Karabach, een bestreden gebied (officieel van Azerbeidzjan) waarvan de inwoners graag bij Armenië willen horen, maar dat laat Azerbeidzjan niet zomaar gebeuren. Er zijn in de gevechten voor dit stuk land al veel doden gevallen en het ligt vrij gevoelig. Als je bijvoorbeeld een visum voor Nagorno Karabach in je paspoort hebt staan, dan kom je Azerbeidzjan niet meer in. Het land voelt verder volledig als Armenië, de valuta is hetzelfde, de auto’s hebben Armeense kentekens, ze spreken Armeens, Armenië heeft betaald voor de aanleg van wegen, etc.

We verbleven de nacht in de hoofdstad Stepanakert, waar niet bijzonder veel te beleven is. Verder bezochten we het mooi gelegen klooster van Gandzasar en de stad Agdam. Deze “stad” werd in 1994 gebombardeerd door Azerbeidzjan en is sindsdien verlaten. Het is nu een spookstad bestaande uit leegstaande half afgebroken huizen. Het was best indrukwekkend om er rond te lopen. Er woont nog een enkeling, ondanks dat er geen stroom en water is. Verder zijn er altijd soldaten aanwezig, die ons gebaarden dat we geen foto’s mochten maken. Zie hieronder voor de foto’s.

We wilden de grens naar Armenië oversteken in het noorden van Nagorno Karabakh, waar vrijwel geen toerist komt omdat daar geen openbaar vervoer is. Iedereen die we daarover spraken zei dat het wel mogelijk zou zijn, maar dat de weg daar erg slecht was. Aangezien we inmiddels noppenbanden op onze motoren hadden, wilden we de gok wel wagen en we hebben er geen moment spijt van gehad. Het was een route van zo’n 80km erg slechte weg met veel modder en gaten in de weg, maar de omgeving was schitterend en er was bijna niemand te bekennen. De banden hadden bijzonder veel grip in de slechte omstandigheden en we hadden lol in het off-road rijden. De grensovergang stelde niets voor en we kregen zelfs nog een ijsje,  dit was de beste grensovergang tot nu toe!

Na een overnachting in een simpele Bed & Breakfast zonder breakfast zijn we doorgereden naar Georgië.  We zijn nog wat omgereden om weer langs het Khor Virap klooster te rijden, in de hoop dat we dit keer de berg Ararat op de achtergrond konden zien. Dat was gelukkig het geval, dus dit keer konden we een mooiere foto maken. Daarna reden we door tot net over de grens in Georgië, waar we een goedkoop hotel vonden.

De eerstvolgende bestemming was Batumi, een populaire stad aan de kust van de Zwarte Zee. We hadden de keuze uit twee wegen en wij verkozen de lange onverharde bergpas. Het was zo’n 60km off-road en dat duurde redelijk lang, maar was qua uitzichten absoluut de moeite waard. Begin van de middag kwamen we aan in ons hostel in Batumi, waar we samen met wat andere toeristen de rest van de dag hebben doorgebracht. Ook de volgende dag hebben we niet veel uitgevoerd: gezwommen in de Zwarte Zee, op het strand gelegen, rondgelopen door de stad en lekker uiteten geweest samen met een groep uit het hostel.

Na Batumi reden we naar Mestia, een dorp in het noorden van Georgië en midden in het Kaukasus gebergte. We hadden helaas niet veel geluk met het weer en door de bewolking hadden we geen geweldig zicht. Vanuit Mestia zijn we verder de bergen in gereden naar de plaats Ushguli. Tot daar rijdt er nog wat openbaar vervoer, maar door de slechte weg is dat niet erg betrouwbaar. Verder dan Ushguli rijdt er helemaal geen openbaar vervoer meer en de weg zou alleen toegankelijk zijn voor 4×4 wagens. Off-road Dat klonk als een leuke uitdaging dus namen wij die 120km lange onverharde weg, die door de vele regenval extra uitdagend was. We waren erg blij met onze off-road banden en het was redelijk zwaar rijden, maar erg gaaf. We deden er ruim 5 uur over en aan het einde van de middag vonden we een homestay waar we konden overnachten. Het oudere stel dat de homestay runt was erg gastvrij en de man vond het leuk om zijn eigengemaakte witte wijn en chacha (soort wodka) te schenken. Hij kreeg het voor elkaar om vrijwel alle gasten aardig wat te laten drinken, dus aan het einde van deze zware dag vielen we na de nodige drankjes als een blok in slaap.

De volgende dag reden we naar Tbilisi, waar we ons Russische visum hebben opgehaald. Die gaat op 9 augustus in en tot die tijd willen we Tbilisi verkennen (toen we hier twee weken geleden waren zijn we vooral met de motoren bezig geweest). Na Tbilisi rijden we in twee dagen naar Rusland, waarvoor we een 10-dagen visum hebben om naar Oekraïne te rijden. We hebben er zin in en hopen/verwachten dat Rusland wat minder toeristisch is. We zijn inmiddels alweer een maand in de Kaukasus landen geweest en het is leuk om weer een nieuw land te verkennen.


Iran

Het vorige bericht hebben we geplaatst vanuit Tehran en gek genoeg wordt dit bericht vanuit hetzelfde hotel geplaatst. Dit betekent gelukkig niet dat we hebben stilgezeten, in tegendeel, we hebben vier weken lang rondgereisd door Iran en hebben ontzettend veel gezien en meegemaakt. De reden waarom we weer terug zijn in Tehran is helaas wel minder leuk. In Pakistan zijn twee weken geleden 9 toeristen en hun gids doodgeschoten door de Taliban. Het zou een vergeldingsactie zijn geweest naar aanleiding van een Talibanleider die is omgekomen door een Amerikaanse drone-aanval. De Taliban heeft het duidelijk niet zo op westerlingen en ze gaven expliciet aan zulke aanslagen in de toekomst te blijven plegen. Onlangs heeft Amerika met een drone-aanval weer 17 mensen om het leven gebracht in Pakistan, dus dat belooft weinig goeds voor de toeristen in dat land. Door al deze narigheid zou onze reis door Pakistan voor het grootste deel (of wellicht helemaal) beperkt worden door politie-escortes. De lol is er dan grotendeels af en je voelt je ook niet echt veilig. Vrijwel alle reizigers die over land van Iran naar India wilden reizen, we kennen er via-via inmiddels aardig wat, hebben besloten om de route aan te passen of de motoren/auto’s te verschepen naar India. Ons leek het een goed idee om dan maar via Turkmenistan en Oezbekistan naar Tajikistan en Kyrgyzstan te rijden, dat schijnt ook erg mooi te zijn en vanaf daar konden we dan onze route weer oppakken. Eenmaal in Tehran aangekomen om de benodigde visa aan te vragen, bleek helaas dat we voor Oezbekistan als Nederlanders een toeristische uitnodiging nodig hebben om een visa te krijgen. Het flauwe is dat bijvoorbeeld Belgen, Duitsers en Fransen dat niet nodig hebben, maar met Nederland is er blijkbaar geen overeenkomst. Dat zou betekenen dat we al met al weer zo’n 3 a 4 weken op visa moesten gaan wachten en dat zagen we niet zitten. Het laatste alternatief, afgezien van dezelfde weg terug, is via Azerbeidzjan, Armenië en Georgië naar Rusland, Oekraïne en vanuit daar weer langzaam naar huis. We moesten dan wel het visa voor Azerbeidzjan en Rusland regelen (ons Russische visum dat we al hadden zou pas veel later ingaan), maar op het moment van schrijven is dat al bijna gelukt. Het betekent wel dat we waarschijnlijk een maand eerder terug zijn, maar het belooft alsnog een mooie route te worden en ach, het is een goed excuus om nog een keer terug te keren richting India.

Enfin, genoeg geneuzel over de stomme taliban en vervelende visa. Dit bericht is eigenlijk (weer) veel te lang geworden, elke keer neem ik me weer voor om kortere tijd tussen de berichten te laten, maar elke keer komt het er weer niet van! Kortom, aardig wat leeswerk voor jullie…

Na het laatste bericht moesten we een paar dagen wachten op ons Chinese visum (dat we uiteindelijk niet meer gaan gebruiken…). Tehran is nou ook weer niet zo’n geweldige stad, dus we besloten om een paar dagen door het berggebied ten noorden van Tehran te rijden in plaats van te wachten in de stad. Eerst reden we naar Dizin, dat is voor Iraniërs een bekend skigebied. Het duurde even voordat we Tehran uit waren gereden, maar eenmaal in de bergen was het gelijk een stuk koeler en rustiger, en de omgeving was prachtig. Helaas is er in de zomer niet zoveel te beleven, dus na een iets te dure nacht in een absoluut uitgestorven ski-resort, besloten we om weer op de motor te stappen. We vroegen ons overigens af hoe de après-ski er uit zou zien in een land waar alcohol verboden is. Zouden alle theehuizen vol staan met mensen in die in skikleding staan mee te blèren met foute muziek, met grote pullen thee? Volgens de Lonely Planet zijn er genoeg ‘out of control’ privéfeesten waar alcohol te vinden is, maar dan moet je wel mensen kennen. Maar goed, er was dus in de zomer weinig te beleven en wij reden de volgende dag richting Mount Damavand, die is met 5671 meter de hoogste berg in het Midden-Oosten. Het asfalt was weer bijzonder goed en de weg slingerde ruim 150km door de bergen met veel mooie uitzichten. Perfect voor motorrijders! Uiteindelijk was Mt Damavand in zicht en die steekt nog een stuk boven de omliggende bergen uit. We vonden een betaalbaar hotel met een Duits sprekende eigenaar. Duits sprekende Iraniërs zijn we overigens overal tegengekomen. Vandaag, op de dag van schrijven, ben ik pas voor het eerst een Nederlands sprekende Iraniër tegengekomen. De volgende ochtend reden we weer terug naar Tehran, waar we ons Chinese visum konden ophalen. Dat lukte pas eind van de middag, waardoor we besloten om nog een nacht in Tehran te blijven. Bij het hotel vonden we tot onze verbazing een motor met een Nederlands kenteken, waar van we de eigenaar later in het hotel tegenkwamen. Mart (60 jaar), uit Utrecht, heeft met zijn motor al een groot deel van de wereld gezien: Afrika, Zuid-Amerika, Oost-Rusland, etc. Hij was 10 jaar geleden al eens in Iran geweest en was dit keer van plan door te rijden naar Australië. Die avond hebben we wat reisverhalen uitgewisseld (dit betekende voor ons met name luisteren) bij het diner en een wandeling door de stad.

De volgende ochtend namen we weer afscheid van Mart, om richting Kashan te rijden. Toen we in Turkije in spanning aan het wachten waren op ons Iraanse visum, dat destijds lastig was i.v.m. de verkiezingen, was ik actief op een forum met reizigers die in hetzelfde schuitje zaten. Via dat forum kreeg ik een bericht van Lili, een studente die in Kashan woont en het leuk vindt om toeristen te ontvangen en haar stad te laten zien. Aangezien het precies op onze weg van Tehran naar Isfahan lag, leek het ons leuk om een tussenstop te maken in Kashan. De snelweg leidde door een dor woestijngebied en het was continu 40 graden of hoger. Als ik het vizier van mijn helm open deed tijdens het rijden voelde het net of ik door een heteluchtoven reed. Niet dat ik ooit door een heteluchtoven heb gereden, maar nu kan ik me er wat bij voorstellen.

Op advies van Lili vonden we een traditioneel hotel met een mooie tuin met zitplaatsen in de schaduw, waar we later die avond Lili ontmoetten. Samen met haar maakten we een wandeling door de stad en bezochten we een paar oude huizen en badhuizen, dat is waar Kashan hoofdzakelijk om bekend staat. Het leukste was echter de ontmoeting met Lili, een IT-studente van onze leeftijd. Ze sprak heel aardig Engels en dat gaf de mogelijkheid om veel te weten te komen over het (studenten)leven in Iran. Ik vroeg haar of het lastig was om straks werk te vinden, waarop ze antwoordde dat het voor haar wel zou meevallen; omdat vrouwen de helft betaald krijgen van mannen zijn ze redelijk gewild in sommige sectoren. Toen ze aan het einde van de avond mee liep naar ons hotel, mocht ze van de hoteleigenaar niet onze kamer in. Inmiddels kun je prima met iemand van het andere geslacht over straat lopen zonder dat je getrouwd bent of familie bent (dat was vroeger wel anders), maar volgens de sociale controle was de hotelkamer blijkbaar nog een stap te ver.

De volgende dag bezochten we een groot park (parken zijn erg populair in Iran) en een bazaar. Daarna werden we uitgenodigd om bij Lili en haar moeder thuis thee te komen drinken. We werden helemaal volgestopt met fruit, koekjes en later nog een maaltijd. De moeder van Lili was afgestudeerd in rechten, maar als vrouw hoor je thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen, dus heeft ze nooit gewerkt. Dit hebben we al van veel mensen gehoord, er wordt dus een hoop opleiding/kennis onbenut gelaten.

Rond 18.00 uur vertrokken we richting de woestijn in de plaats Marenjab, vlakbij Kashan. Marenjab bestaat uit niets meer dan een caravanserai, dat is een gebouw met kamers rond een binnenplein, waar karavanen vroeger hun kamelen buiten konden laten staan en zelf in de kamertjes konden slapen. Dit wordt nog steeds gebruikt voor bezoekers van de woestijn en ook wij konden een kamer krijgen en lieten onze motoren buiten staan. De weg naar Marenjab was de laatste 40km onverhard en binnen no-time zaten we echt in de woestijn. Het is precies wat je je bij een woestijn voorstelt, maar we waren beiden nog nooit in een woestijn geweest dus vonden het fantastisch toen we ineens aan onze rechter kant zandduinen zagen en aan de linker kant een kudde kamelen. Bij zonsondergang reden we nog even richting de zandduinen en ’s nachts koelde het gelukkig genoeg af om te kunnen slapen. De volgende ochtend reden we weer naar de zandduinen om de motor vervolgens neer te zetten en zelf de zandduinen in te lopen. Het was een best klimwerk om de eerste zandduin op te komen, maar vanuit daar hadden we wel een mooi uitzicht over de zandduinen die tot in de verte reikten en aan de andere kant een gigantische zoutvlakte, waar we daarna heen zijn gereden. De weg door de zoutvlakte bestond uit aangestampt zout en onze motoren zaten in een mum van tijd volledig onder het zout. Over dezelfde onverharde weg reden we weer terug naar de bewoonde wereld, vanuit waar we over de snelweg naar Isfahan reden. We hadden van de Duitse motorrijders die we in Tehran hadden ontmoet al het adres van een goed(koop) hotel doorgekregen. Moe van de intensieve dag, vielen we vroeg in slaap.

De eerste volledige dag in Isfahan was vooral een nuttige dag, we vonden na lang zoeken een wasstraat om het zout van de zoutvlakte van de motor af te spoelen, vervingen de motorolie en maakten het luchtfilter schoon (die zit na een ritje door de woestijn vaak onder het zand). We zijn uiteindelijk een paar dagen in Isfahan gebleven en hebben de belangrijkste bezienswaardigheden volgens de Lonely Planet bekeken. Het leukst was echter de sfeer in de stad, vooral bij de historische bruggen over de rivier en Imam square. Overdag is er niet bijzonder veel te beleven, dan is iedereen aan het werk of zit binnen bij de airco. Vanaf ongeveer 19.00 uur wordt het druk bij de zojuist genoemde plaatsen en gaat iedereen een wandeling maken, picknicken, waterpijp roken of gewoon gezellig praten met vrienden en vooral familie.

Moslims geloven dat er een imam is die ooit terugkeert naar de wereld en dat wordt elk jaar uitbundig gevierd met een vrije dag. Op de avond voor deze vrije dag liepen we over Imam square, toen we werden aangesproken door Younes, een jongen van ongeveer onze leeftijd die in zijn eentje op een bankje zat. Na even praten vroeg hij of we het leuk vonden om samen met hem om de foto te gaan (dat gebeurt ons erg vaak in Iran, soms voelen we ons echte beroemdheden). Dat vonden we natuurlijk prima en binnen een paar minuten had hij zijn hele familie opgehaald om zo’n 40 verschillende foto’s te maken voor een mooi belichte moskee. Na een tijd te hebben gepraat namen we uitgebreid afscheid en wisselden we nummers uit voor als we nog eens wilden ontmoeten in Isfahan. Binnen 5 minuten werd ik al door hem gebeld, met de vraag of we nog even naar een andere moskee wilden komen voor nog meer foto’s. Prima, wij weer op zo’n 40 foto’s en weer de nodige vragen beantwoord over het leven in Nederland en over wat we van de Islam vinden. Wederom namen we uitgebreid afscheid en 5 minuten later kwamen we ze weer tegen. Ze nodigden ons uit om de volgende dag mee te gaan picknicken in de bossen in de buurt van Isfahan. Dat leek ons wel leuk, dus de volgende ochtend stonden we om 9uur weer op Imam square en de familie stond met twee auto’s klaar voor vertrek. Na zo’n anderhalf uur rijden kwamen we aan bij een mooie picknickplaats in een klein bos gelegen tussen rijstvelden. Op de weg er naartoe stonden veel mensen op straat gratis drinken en zoetigheden uit te delen, dit was overal zo in Iran vanwege de eerder genoemde feestdag. Iedereen was in feeststemming, we hebben zelfs veel brommers gezien waarbij mensen achterop zitten die op een trommel muziek aan het maken waren. Ook bij onze auto ging het raampje open en werden er plastic bekers limonade en koeken naar binnen geduwd. Eenmaal bij de picknickplaats werden de auto’s leeggehaald en kwamen er, naast een paar koelboxen en tapijten, twee geweren tevoorschijn. Tijdens de ongeveer 4 uur durende picknick werd er met de geweren op lege flessen geschoten, gezwommen in de rivier, veel gepraat (in gebrekkig Engels) over de verschillen tussen Iran en Nederland, rijst gekookt en kip gebakken boven een houtvuur, heerlijk gegeten en thee gedronken. Weer terug in Isfahan namen we voor de zoveelste keer afscheid en we waren ze erg dankbaar voor deze fantastische gastvrijheid.

Samen met de twee Duitse motorrijders Bernard en Heiko reden we in twee dagen vanuit Isfahan naar Shiraz over het Zagrosgebergte. Na een mooie route de eerste dag, kwamen we aan bij een drukbezochte waterval met daar vlakbij een soort camping waar we voor het eerst in Iran in onze tenten hebben geslapen. De volgende dag reden we door naar Shiraz, maar omdat ik me niet zo goed voelde en Derek moe was, hebben we de rest van de dag in het voor ons goedkoopste hotel doorgebracht (3 euro p.p. inclusief kakkerlak). De volgende dag voelde ik me weer beter, dus hebben we weer de Lonely Planet gevolgd langs de leukste bezienswaardigheden. Shiraz is een mooie stad, maar na Isfahan ligt de lat wel redelijk hoog. Precies toen de oproep voor het gebed door de speakers galmde, stonden we voor een gigantische moskee die we wilden bezoeken. We gingen naar binnen en namen plaats in de hoek om het ritueel waar te nemen. In de prachtige moskee, van binnen volledig versierd met kleine spiegeltjes (helaas mochten we geen foto’s maken), was dat interessant en mooi om te zien.

Op zo’n 50km afstand van Shiraz ligt Persepolis, ruïnes van een nederzetting bestaande uit voornamelijk paleizen. We hebben hier zo’n twee uur rondgelopen, maar achteraf vind ik dat we toch een gids nodig hadden om de waarde van de ruïnes in te zien. Daarna volgde nog een lange rit van 500km naar Yazd, een kleine stad midden in de woestijn. We verbleven in het toeristische Silk Road Hotel, waar we een aantal andere toeristen ontmoetten, heerlijk konden eten en relaxen in de ruime binnenplaats. We hebben een aantal mooie gebouwen en moskeeën bekeken en een opvoering bijgewoond van een traditionele sport (zie filmpje). Verder staat Yazd bekend om de zogenaamde badgirs, dat zijn constructies op de daken die lijken op grote schoorstenen met openingen aan de zijkanten, maar ze zijn er voor bedoeld om wind op te vangen en naar binnen te geleiden om de gebouwen af te koelen. Het werkt verbazingwekkend goed, geniaal!

We besloten om vanuit Yazd in twee of drie dagen terug naar Tehran te rijden, met een tussenstop in de woestijn. Na een paar uur rijden zaten we in de woestijn en waren de zandduinen weer in zicht. We vonden een slaapplaats in het dorpje Mesr, waar we een gebouwtje met een paar kamers en een kleine binnenplaats tot onze beschikking hadden.

De volgende ochtend stonden we vroeg op om nog even naar de zandduinen te rijden. Voor het eerst sinds tijden reed ik zonder bagage en zonder koffers, dat maakte het rijden door het zand een stuk leuker. Na even in het zand gespeeld te hebben keerden we weer terug naar onze slaapplaats, waar ons ontbijt al klaar stond. Daarna zouden we door de grote Dasht-e Kavir woestijn een lange route van 550km naar de stad Semnan rijden. Een tijd lang was er echt niets anders om ons heen dan zand en het verbaasde ons dat er zo’n goede asfaltweg lag. Tijdens de lunch in een klein dorp midden in de woestijn, vroeg een politieagent om onze paspoorten. Hij pleegde wat telefoontjes en we moesten wat formulieren invullen. Het deed ons direct weer denken aan het hotel in de stad Chalus, waar we twee uur moesten wachten terwijl wat agenten aan het bellen waren en wij vragen moesten beantwoorden. We hoopten dat het dit keer niet zo lang zou duren. Na ongeveer een uur wachten en vragen beantwoorden over met name onze helmcamera en fototoestellen mochten we door richting Semnan, maar we moesten een andere weg nemen dan we hadden gepland – die weg bleek streng verboden. Ook zou er een politiewagen achter ons aan rijden en moesten we de camera’s en navigatiesystemen uitzetten. De politieagenten hadden wat moeite om ons bij te houden en na een half uur stopten ze en gebaarden ze dat we door mochten rijden. Niet veel later kwam er echter een andere politiewagen achter ons rijden en bij het eerstvolgende politiestation moesten we stoppen. Er werden foto’s van ons en onze motoren gemaakt en we moesten weer vragen beantwoorden. Ik moest mijn helmcamera laten zien en de inhoud van de memorycard. Er was een computerspecialist ingeschakeld door de politie om dit werk uit te voeren, maar blijkbaar moest ik toch mijn eigen laptop pakken om de sd-kaart te laten zien. Deze zogenaamde computerspecialist wist echter niets van Apple, dus het duurde even voor hij begreep dat er op een Apple computer helemaal geen “Deze Computer” bestaat. Na zo’n 15 minuten filmpjes te hebben bekeken van een paar motoren die door de woestijn rijden en wat kamelen die langslopen, geloofde hij het wel. Ik mocht weer opruimen en eindelijk mochten we weer door, maar wel weer met politie escorte. Wat er precies aan de hand is in deze regio is ons niet duidelijk, maar het is ongetwijfeld iets heel geheims. Uiteindelijk mochten we weer alleen verder, maar we moesten beloven dat we de snelweg richting onze eindbestemming niet zouden verlaten. Bij het volgende politiestation werden we weer aangehouden, inmiddels waren we het wel aardig zat. Gelukkig konden we snel weer door, het leek er op dat dit station moest melden aan het vorige dat we inderdaad op de snelweg bleven. Het laatste uur rijden werden we gelukkig niet meer aangehouden, en later dan gepland en aardig vermoeid kwamen we aan bij een hotel in Semnan.

De volgende paar dagen besteedden we in Teheran aan het aanvragen van visa en het onderzoeken van alternatieven voor de verdere reis. Uiteindelijk is nu, bijna een week later, alles bijna rond. In de tussentijd hebben we nog een hoop andere toeristen ontmoet in Tehran en zijn we regelmatig met verschillende mensen uiteten geweest. In het weekend zijn we naar de Darband berg gegaan in het noorden van Teheran, waar veel mensen uit de stad naar toe gaan om te wandelen en, uiteraard, te picknicken.

We hebben Iran echt als een fantastisch land ervaren, met bijzonder vriendelijke mensen. Het land zal ongetwijfeld steeds meer toerisme aan gaan trekken en als het land vol zit met toeristen dan zal je vast niet meer zoveel speciale aandacht krijgen van de Iraniërs. We zijn daarom erg blij dat we Iran mee hebben kunnen maken zoals het nu is.

Vandaag halen we onze Russisch visums op en dan kunnen we door richting Azerbeidzjan. We zijn benieuwd naar de komende landen!

P.S. Een aantal van de foto’s heb ik gejat van Bernard (een van de Duitse motorrijders) en Shanaz, een meisje dat we hebben ontmoet in het hotel in Tehran.

Well come to Iran

Allereerst weer bedankt voor alle reacties. We vinden het leuk om onze ervaringen te delen via deze site en het is heel leuk om te horen dat het veel gelezen wordt. Bij het vorige bericht schreven we dat we hoopten het volgende bericht vanuit Iran te kunnen schrijven en we zijn erg blij dat dit is gelukt!

Het vorige bericht plaatsten we vanuit Malatya in Turkije. Vanuit daar zijn we naar Hazar Golu gereden, een meer zo’n twee uur ten oosten van Malatya. Het was er mooi weer en met hulp van een schapenherder vonden we een ideale kampeerplaats met uitzicht over het meer. ’s Avonds hebben we voor het eerst sinds tijden weer eens zelf gekookt, dit keer met een bbq-rekje zoals ze dat overal in Turkije doen. Toen we lekker zaten te eten bij zonsondergang met uitzicht over het meer, beseften we ons maar al te goed dat we – ondanks de vertraging door visa – niets te klagen hebben!

Op de kampeerplaats aan het water hebben we drie dagen gestaan. Het weer was goed, het uitzicht was mooi en het kostte niets. Elke dag kwamen er wel wat mensen langs om een praatje te maken, voor zover mogelijk. De tweede dag kwam er een man op een oude mountainbike langs, die na een kort praatje weer wegfietste. Kort daarna stapten wij op de motor om ergens wat te gaan eten, maar toen we wegreden zagen we al snel diezelfde man met de fiets  aan de hand lopen. Zijn fiets was kapot en hij vroeg of we hem naar zijn huis konden brengen, zodat hij met de auto zijn fiets kon ophalen. Dat wilden we natuurlijk wel doen, dus we brachten hem naar zijn boerderij zo’n 4km verderop. Eenmaal daar werden we uitgenodigd om thee te drinken en al snel kwam er brood en allemaal verschillende soorten kaas op tafel. Samen met zijn familie aten we daar het avondeten en kort voordat het donker werd reden we weer terug naar onze tent. Zo maak je elke dag wel weer wat mee!

De laatste avond aan het meer waren we net aan een filmpje begonnen op de laptop, toen het ineens begon te regenen. Het werd steeds heftiger en we gingen gauw onze tenten in. Toen de regen over ging in hagel, hoopten we dat het niet erger zou worden en dat de tenten er niet onder zouden lijden. Voor het eerst hebben we de scheerlijnen van de tent gebruikt, want het begon ook nog eens aardig te stormen.

Na een enigszins onrustige nacht konden we ’s ochtends met prima weer onze tenten inpakken en onze reis voor de tweede keer richting Erzurum starten. We namen een mooie route met veel stukken off-road (goed rijdbare gravelwegen). Het plan was om halverwege Erzurum nog een nacht te wildkamperen, maar vanaf 1uur begon het te regenen en dat hield maar niet op. Na de lunch besloten we om meteen door te rijden naar Erzurum, we hadden geen zin om de tent op te zetten in de regen. Dat betekende wel dat we nog zo’n 300km over slecht geasfalteerde wegen en in de stromende regen moesten rijden. Dat was redelijk afzien, we reden ook redelijk hoog in de bergen en het was nog maar 7 graden. Toen onze handschoenen helemaal doorweekt waren hadden we het goed koud. Toen we gingen tanken zag het personeel van het tankstation dat we het koud hadden en direct werden we binnen voor een straalkachel gezet met thee. Dat maakte toch wel weer een hoop goed! Toen we weer op de motor stapten voor het laatste stuk, was de regen een stuk minder geworden en deed het zonnetje zelfs zijn best en zorgde voor een mooie regenboog. Enigszins opgedroogd arriveerden we weer in Erzurum, waar we uiteindelijk 10 dagen in “ons” hotel zijn verbleven.

Toen we eindelijk bericht kregen dat onze paspoorten weer opgehaald waren bij het Pakistaanse consulaat in Nederland, bleek dat we een single entry visum hebben gekregen in plaats van de door ons aangevraagde double entry. Dat betekent dat we niet meer naar India kunnen, dan zouden we daarna namelijk niet meer Pakistan in kunnen komen. Dat was wel even flink balen, maar we realiseerden ons ook dat het voor de tijdsplanning wel goed is, aangezien we al drie weken hadden verloren in Turkije door het visumgezeur. We lieten de paspoorten weer terugsturen met DHL en bereidden ons voor om het visum voor Iran aan te vragen zodra de paspoorten terug zouden komen. Daarmee stuitten we op de volgende grote onzekerheid, er waren namelijk binnenkort verkiezingen in Iran en daarom zouden veel toeristen geweigerd zijn. De Iraanse overheid is bang dat toeristen eventuele demonstraties gaan filmen en verspreiden. We hoorden van Ralf, de Nederlandse fietser die we vlakbij de noordkust van Turkije hadden ontmoet, dat hem het visum voor Iran was geweigerd. Verder hoorden we verhalen over Engelse motorrijders die wel een visum hadden, maar bij de grens alsnog werden teruggestuurd. visum We werden wel enigszins moedeloos van die berichten en begonnen al naar alternatieven te kijken voor Iran, die er eigenlijk niet echt bleken te zijn. We waren dan ook heel erg blij toen we na een paar dagen ons visum konden ophalen bij het Iraanse consulaat! Wij hadden al een autorisatiecode vanuit het ministerie in Iran ontvangen waarmee we ons visum konden aanvragen en blijkbaar kon het daarmee alsnog lukken. Als we deze autorisatiecode niet hadden gehad, of een week later hadden aangevraagd, zouden we het visum niet hebben gekregen.

We hoorden dat de grensovergang in het zuiden van Turkije makkelijker zou zijn dan die vlakbij Erzurum, dus we besloten om dan maar om te rijden via het zuiden.  Daar hadden we geen spijt van, want het was een erg mooie route ondanks dat er veel militairen aanwezig waren (het is Koerdisch gebied, de militairen zullen er dus vast vanwege de PKK zijn). Die avond hebben we voorlopig voor de laatste keer met een biertje geproost, aangezien alcohol in Iran verboden is. De volgende dag hoefden we nog maar twee uur te rijden tot de grens. Eenmaal bij de grens moesten we langs een paar verschillende kantoortjes om allerlei papieren te laten stempelen. Er stond nergens aangegeven welk kantoor waarvoor was, dus gelukkig kregen we hulp van verschillende mensen die ons naar de juiste kantoortjes leidden. Bij de douane moesten we alle bagage open maken voor een controle. Al met al stonden we zo’n twee uur later aan de andere kant van de grens, eindelijk was het dan toch gelukt: IRAN!

well-come-to-iran

Binnen de eerste kilometer kwam er al een auto naast ons rijden, waarvan de bestuurder gebaarde of we wat wilden eten. Aangezien we net onderweg waren, sloegen we het aanbod af. Vanuit andere auto’s werd al geschreeuwd “where are you from?” en “welcome to Iran!”. Fantastisch, we hebben al vaak gehoord dat Iraniërs onwijs vriendelijke mensen zijn en dat werd meteen bevestigd. Het eerste stuk rijden was niet spectaculair, het landschap was glooiend en bestond uit vrijwel niets. Na ongeveer een uur reden we over de brug over Lake Urmia, een gigantisch zoutwatermeer dat de laatste jaren flink is gekrompen in omvang.

Aan het einde van de middag vonden we een hotel in de stad Tabriz, waar we de volgende ochtend een gigantische overdekte bazaar hebben bezocht (volgens wikipedia de grootste ter wereld). De zeer behulpzame eigenaar van de Tourist Information liep met ons mee naar een geldwisselkantoor, waar we euro’s hebben gewisseld naar Rials. Eén euro is gelijk aan ongeveer 43000 Rials,  dus we waren beiden meteen miljonair. Alles is overigens heel goedkoop in Iran. Benzine is helemaal lachen, we tanken 6 liter benzine voor 1 euro. Voor eten betalen we meestal zo’n 4 euro voor met z’n tweeën, al worden we soms wel afgezet als toeristen (en dan betalen we 10 euro). De goedkopere hotels kosten tussen de 12 en 20 euro met z’n tweeën. Op deze manier kunnen we het wel even volhouden in Iran!

Nadat we de bazaar hadden bezocht stapten we weer op de motor en reden we richting Kandovan, een plaatsje op ongeveer anderhalf uur rijden van Tabriz waar mensen in huisjes leven die uit rotsen zijn gehakt – een soort klein Cappadocië. Het was best een leuk gezicht en er waren duidelijk veel Iraanse toeristen. Uiteraard begonnen weer veel mensen een praatje met ons toen we de motor hadden geparkeerd. Eén van deze mensen was Amin, een man die een tijd in Thailand en Australië heeft gewoond en daardoor best goed Engels spreekt. Hij nodigde ons uit om samen met hem en zijn vrienden thee te drinken en waterpijp te roken. Het werd duidelijk dat hij een vrij welvarende vriendengroep had, vrijwel allemaal met een eigen bedrijf en allemaal de nieuwste iPhone. Amin stond er op dat we mee gingen naar zijn huis in Tabriz (waar we net vandaan kwamen). Zijn vrienden kwamen vanuit Tehran speciaal voor hem naar Tabriz gereden (6uur rijden) en bleven dus ook bij hem overnachten. We reden achter hen aan terug naar Tabriz en er kwam vrij snel wodka en bier op tafel… Het mag dan wel verboden zijn in Iran, maar blijkbaar is er toch nog prima aan te komen. De tweede avond in Iran zaten we dus al aan het bier, wie had dat gedacht! Pas rond 12 uur ‘s nachts gingen we met z’n allen uiteten en daarna nog een rondje lopen door een groot park, waar het nog verbazingwekkend druk was gezien het tijdstip. De volgende ochtend werd er ontbijt gehaald: gekookte lamsmaag met een soort dun brood dat naar matzes smaakt. Gekookte lamsmaag ziet er net zo smerig uit als het klinkt, maar het was eigenlijk best prima te eten. Na het ontbijt zijn we weer op de motor gestapt richting Ardabil, een plaats die bekend staat om de thermale baden. Onderweg werden we overvallen door een snoeiharde hagelbui, die serieus pijn deed vooral op onze bovenarmen. Er was geen schuilplaats te bekennen dus we konden niets anders dan doorrijden. We hebben er nog een paar dagen kleine blauwe plekken aan overgehouden. In de thermale baden van Ardabil hebben we lekker ge-relaxed, dat konden we wel gebruiken na een erg korte nacht en de pijnlijke hagelbui.

Na Ardabil zijn we naar Masuleh gereden, dat is een mooi dorp tegen een bergwand gebouwd. De weg naar Masuleh was fantastisch, het begon als een slingerende weg met perfect asfalt, waarbij we langzaam de bergen in werden geleid. Plotseling hield het asfalt op en moesten we de laatste 30km over (goed rijdbaar) gravel rijden. We slingerden omhoog en reden door de wolken tot zo’n 2500 meter hoogte. Door de wolken zagen we soms geen hand voor ogen en door het vochtige weer werd de weg ook een beetje modderig en ontstonden er plassen water – maar ach, dat maakte het wel avontuurlijk. Toen we eenmaal de wolken uit reden hadden we schitterende uitzichten door groen beboste bergen. We hadden niet zulke mooie groene berggebieden verwacht in Iran, maar meer droge woestijngebieden – die we ongetwijfeld ook nog krijgen.

In Masuleh raakten we tijdens het avondeten aan de praat met een paar Iraanse jongens. Toen de oproep voor het gebed klonk, wilden de jongens naar de moskee gaan en wij mochten mee. Voordat we de moskee in gingen lieten ze ons zien hoe je je armen, voeten en hoofd hoort te wassen voor het gebed, een vrij strikt gebruik. De moskee zag er van binnen erg mooi uit en we keken toe hoe ze hun gebeden uitvoerden. Leuk om eens meegemaakt te hebben. Helaas spraken ze niet zodanig goed Engels dat ze alles goed konden uitleggen.

De volgende dag zijn we langs de kust van de Kaspische zee naar Chalus gereden, de route was niet zo bijzonder. Een paar minuten nadat we hadden ingecheckt bij het hotel en onze paspoorten hadden afgegeven, werd bij onze kamer aangeklopt en gevraagd of we bepaalde papieren hadden, een “degree to drive your motorbike in Iran”. Ik vroeg of hij mijn rijbewijs bedoelde, maar hij zei van niet. Toen ik zei dat we het dan niet hebben, vroeg hij of we naar beneden wilden komen. In de lobby stonden twee mannen op ons te wachten die blijkbaar van de politie waren. De man die naar onze kamer kwam was slechts een vertaler. We moesten op een bank gaan zitten, wachten en af en toe wat vragen beantwoorden. Er werd ons uitgelegd dat ze in verband met de verkiezingen wat extra checks willen uitvoeren. Gelukkig kregen we nog thee van de hoteleigenaar, die er zichtbaar van baalde dat zijn gasten werden vastgehouden door de politie. Thee drinken ze hier trouwens niet met twee klontjes suiker IN de thee, maar ze dopen een klontje er in en stoppen het dan tussen hun tanden om daar doorheen dan de thee te drinken. Wij doen dit maar niet, ik geloof niet dat mijn tandarts dat goedkeurt (toch Olaf?). Regelmatig zagen we de agenten bellen met, vermoedelijk, het hoofdkantoor. Aangezien er WiFi was in het hotel, wilde ik even mijn mail gaan checken op mijn mobiel, maar dat mocht ook niet – mijn mobiel moest ik weg stoppen. Na ongeveer twee uur kwam er een andere agent en die vroeg om motorpapieren die door de douane gestempeld moesten zijn. We lieten hem de carnet de passage zien en toen bleek dat de andere agenten daar ook op hadden gedoeld in eerste instantie. Alles was in orde en we mochten weer gaan. De agenten boden hun verontschuldigingen aan, ze deden ook alleen maar wat hen werd opgedragen. Naast dit voorval merken we aardig wat van de verkiezingen. Overal hangen posters van kandidaten en verzamelen groepen mensen. Ook hebben we begrepen dat internet erg traag is doordat de overheid het heeft afgeknepen voor de verkiezingen. Wat de gedachte hierachter is begrijpen we niet zo goed.

’s Avonds raakten we aan de praat met drie meiden. Ze vertelden ons dat ze balen van het feit dat ze o.a. worden verplicht om hoofddoekjes en lange jassen te dragen. Veel meiden dragen de hoofddoekjes achterop hun hoofd, om nog zoveel mogelijk haar te laten zien. Twee van de drie meiden waren afgestudeerd in rechten, maar al anderhalf jaar werkloos. Het is voor vrouwen lastig om werk te vinden, terwijl vrouwen in Iran beter opgeleid zijn dan mannen. Ze spreken over het algemeen ook beter Engels, hebben we gemerkt. Het is wel heel erg dat de vrouwen zo worden belemmerd in hun rechten. We merkten tijdens ons gesprek ook dat ze zich er echt druk over maken. Ze vertelden ook dat er zoveel vrouwen studeren omdat ze verandering teweeg willen brengen in Iran. Ik ben erg benieuwd hoe het er voor staat over 5 of 10 jaar. Wellicht brengt de nieuwe president na de verkiezingen al positieve veranderingen met zich mee.

De weg tussen Chalus en Tehran staat bekend als een mooie weg en dat is het ook absoluut. De slingerende weg met goed asfalt vormt een ideale weg voor motorrijders, die er in Iran niet zijn aangezien motoren met meer dan 250cc hier verboden zijn (behalve voor toeristen). Helaas was het wel erg druk op de weg, waardoor we vaak achter langzame rijen auto’s zaten. Na hoogtes van ongeveer 2600 meter te hebben bereikt daalden we af richting Tehran, waar we over de snelweg binnen kwamen. De temperatuurmeter telde langzaam op tot 42 graden. Eenmaal in Tehran vermaakten we ons met het chaotische verkeer. Toen we het hotel niet konden vinden vroegen we een politieagent op een brommer, die ons vervolgens escorteerde naar ons hotel.

Die avond zijn we met de metro naar het noordelijke (duurdere) gedeelte van Tehran gegaan. We hadden afgesproken met een vriend van Shahram, de Iraanse jongen die we in Istanbul hadden ontmoet. Deze jongen, Ashkan, woont samen met zijn vrouw Ilnaz in een mooi appartement. Hij liet videos zien van zijn erg gave hobby: met 4×4 wagens door de woestijn crossen. Verder hebben ze nog wat tips gegeven over wat we moeten bezoeken in Tehran en Iran. Rond 1 uur ’s nachts gingen we er weer vandoor en Ashkan stond er op om ons een stuk weg te brengen met de auto, waarna we een taxi naar het hotel zouden nemen. Toen bleek dat de straten volledig vast stonden door mensen die met de auto de straat op gingen om voor de verkiezingen posters uit te delen en met beplakte auto’s rond te rijden. Al met al waren we pas tegen 4 uur terug bij het hotel, terwijl we de volgende ochtend om half 8 weer moesten opstaan om het visum voor China aan te vragen. In Iran is vrijdag een vrije dag (veel logischer dan zondag), dus om tijd te besparen moesten we op donderdag het visum aanvragen en de ambassades gingen om 1uur dicht. Eerst moesten we een brief bij de Nederlandse ambassade halen, een soort van bewijs dat we in Nederland wonen. Het was grappig om weer eens Nederlanders te spreken in de ambassade. Daarna konden we naar de Chinese ambassade, waar alles vrij voorspoedig verliep. Komende dinsdag kunnen we onze visa ophalen en dan hebben we eindelijk alle visa compleet!

Die middag lagen we te slapen in onze hotelkamer – dat was nodig na de korte nacht – toen er op de deur geklopt werd. Het waren twee Duitse motorrijders, die ik al eerder via email gesproken had. Ik was er via een forum achter gekomen dat ze ongeveer dezelfde route doen naar India en rond hetzelfde tijdstip. Toevallig zijn ze in hetzelfde hotel terechtgekomen. Die avond hebben we samen gegeten en wat verhalen uitgewisseld. Zij gaan al snel weer weg uit Tehran, maar we hebben afgesproken om het laatste stuk van Iran en het eerste stuk van Pakistan, waar we verplichte politie-escorte krijgen, samen te doen. We zullen ze ongetwijfeld tussendoor nog vaker tegenkomen in de steden van Iran.

Dinsdagavond komt Amin, die we in Tabriz hadden bezocht, met het vliegtuig naar Tehran om met zijn vrienden een avondje te feesten en hij heeft ons uitgenodigd om mee te gaan “to make party”. Vanaf woensdag zijn we van plan om in 2 of 3 dagen naar de stad Isfahan te rijden, dat schijnt erg mooi te zijn. We zijn erg benieuwd wat ons nog te wachten staat en vinden tot nu toe Iran een geweldig land.

Wordt vervolgd…. Groeten uit Iran!

Iets langer in het mooie Turkije

Wederom willen we iedereen bedanken voor alle leuke reacties!

De motor van Marco was gelukkig vrij snel en zeer vakkundig gerepareerd, zodat we op 4 mei weer verder konden richting Cappadocië. De rit begon met een paar uur rijden over een redelijk saaie soort snelweg. Ineens zagen we het landschap veranderen, zo’n 10 minuten voor aankomst bij de camping. Vanuit een enigszins glooiend landschap verschenen er ineens grote rotsformaties in bijzondere vormen.

Op de camping werden we ontvangen door een Turk die is opgegroeid in Vlaams België en prima Nederlands sprak. We hebben aan hem veel dingen kunnen vragen over de Turkse cultuur en de verschillen met de onze. Ook vertelde hij dat de vreemde vormen van de rotsen in Cappadocië zijn ontstaan door de verschillende soorten gesteenten die in verschillend tempo verweren.

De volgende dag hebben we de toerist uitgehangen (het is er dan ook wel erg toeristisch). We hebben de underground city bekeken (die enigszins tegenviel), de eerste Christelijke kerk van Cappadocië, die is uitgehakt uit een rotsformatie, een pottenbakker met een enorme ondergrondse winkel en de mooie valleien met bijzondere rotsformaties. Elke ochtend bij zonsopkomst stijgen er tientallen luchtballonnen op, een populaire (en dure) toeristische attractie. Janjaap is een ochtend vroeg opgestaan om het te fotograferen.

Op de camping hadden we een Griekse motorrijder ontmoet die er al enkele dagen zat. Hij was professioneel fotograaf en vond het erg leuk om samen met ons naar wat mooie plekken te rijden om foto’s te maken.  Hij liet ons nog wat plaatsen zien die wij nog niet hadden ontdekt, maar die we toch echt niet hadden willen missen.

Daarna zijn we doorgereden richting Nemrut Dagi, waar we ongeveer 2 dagen over verwachtten te doen. De route was boven verwachting mooi, met slingerende wegen afgewisseld met stukken off-road. Na een half uur off-road te hebben gereden door de bergen, met een fantastisch uitzicht, konden we ineens niet doorrijden door een pak sneeuw op de weg. Hier konden we helaas niet door- of omheen, dus moesten we omkeren en een stuk omrijden. Eenmaal terug op de doorgaande weg werden we uitgenodigd voor een kopje Cay (thee). We kwamen tussen zo’n 30 oude Turkse mannen te zitten die allemaal aan tafels rummikub aan het spelen waren. Ze vonden ons allemaal reuze interessant en een paar mannen spraken nog een woordje Duits.

Er komen hier duidelijk nauwelijks toeristen, gezien de enthousiaste en soms verbaasde reacties van mensen langs de weg. Vrijwel niemand spreekt hier meer Engels, maar iedereen is erg vriendelijk.

We hadden weer een mooie plaats gevonden om te wildkamperen. Toen we ’s ochtends de tenten aan het opruimen waren, bedachten we dat het voor het eerst was dat we geen nieuwsgierig bezoek kregen bij het wildkamperen. Dat kon natuurlijk niet waar zijn, dus kwamen twee lokale boeren aangelopen. Een oude man en een iets jongere, die beiden geen woord Engels spraken. Ze kwamen rustig bij onze tenten zitten in de hoop van ons een kopje thee te krijgen, maar dat is voor ons niet zo eenvoudig te zetten. We hebben voor dit soort situaties een pakje sigaretten gekocht, zodat we altijd iets kunnen aanbieden (de meeste Turkse mannen roken sigaretten). Ze sloegen het aanbod af, want ze hadden al pruimtabak. Ze vonden het duidelijk geen probleem dat we daar hadden overnacht. Ze bleven wel lang zitten, terwijl we eigenlijk geen woord konden wisselen. Toen ze na zo’n 20 minuten nog niet uit zichzelf weggingen, gebaarden we dat we gingen opruimen en verder wilden. Als vriendelijk gebaar hebben we nog een setje delftsblauwe klompjes (sleutelhanger-formaat) cadeau gegeven. Enthousiast gebaarden ze dat ze die aan de binnenspiegel van de auto gingen hangen. Na afscheid te hebben genomen liepen ze weer verder op hun slippers door de weilanden en sloten.

We reden steeds meer de bergen in, waar het erg mooi maar ook koud en regenachtig was. We moesten entree betalen om het park “Nemrut Dagi” binnen te rijden. Toen we vroegen of we op de berg ook konden kamperen werd ons verteld dat dit wel mogelijk is, maar dat het wel koud zou zijn. Met onze 0-graden-celcius-slaapzakken durfden we dit wel aan. De weg eindigde bij een parkeerplaats met een toeristisch café, dat als startpunt diende voor een wandeling die in een paar honderd meter naar de top van de berg leidde. Op de top staan overblijfselen van stenen sculpturen van mythische goden. Deze beelden waren mooi, op zich vonden we die niet alle toeristische aandacht waard. Het mooist zou echter de zonsopkomst en –ondergang zijn. We liepen weer terug naar het toeristisch startpunt , waar ons werd toegezegd dat we de tenten mochten neerzetten naast de stacaravan waar het cafépersoneel sliep. Nadat we onze tenten hadden opgezet, is Marco weer naar boven gelopen om de zonsondergang te bekijken. Derek en Janjaap vonden het wel mooi geweest met de steile wandeling en bekeken de zonsondergang vanuit het onze kampeerplaats. De zonsondergang was prachtig en Marco heeft, samen met nog zo’n 80 andere toeristen, nog een paar mooie foto’s kunnen maken.

De volgende ochtend zijn Janjaap en Marco om kwart voor vijf opgestaan voor de zonsopkomst. Het was even vroeg opstaan, maar absoluut de moeite waard. Samen met dit keer zo’n 40 andere toeristen konden we de zonsopkomst fotograferen vanaf de top van Nemrut Dagi. Tegen 6en waren we weer terug bij de tent en besloten we om dan maar vroeg richting Erzurum te vertrekken, waar Derek en Marco de visa voor Iran en Pakistan zouden regelen en Janjaap afscheid zou nemen om in zijn eentje aan de terugreis te beginnen. De lange rit van zo’n 500km begon mooi en na een uurtje rijden moesten we een korte oversteek maken met een veerpont, waar iedereen achteruit op moest rijden (ook grote touringbussen) om er aan de overkant weer vooruit af te kunnen.

Erzurum ligt op 2000 meter hoogte en ligt in een bekend skigebied. Kortom, het was er vrij koud (tussen de 10 en de 15 graden ervaren wij inmiddels als koud) en het regende er ook nog eens regelmatig. Op de weg er naar toe werd dit al duidelijk en de laatste twee uur rijden vormden met de kou, regen en erg slecht asfalt dan ook niet de meest plezierige rit. Eenmaal in Erzurum werd het gelukkig droog en ’s avonds hebben we in een restaurant waar ze bier schonken het laatste avondmaal gevierd. Dat ze bier schenken in een restaurant is in Turkije overigens allesbehalve vanzelfsprekend. Sterker nog, zelfs in cafés schenken ze geen bier. Moslims mogen geen alcohol drinken en als er in een winkel, café of restaurant wel alcohol wordt verkocht dan willen de wat meer conservatieve moslims er niet naar binnen. Omdat ze geen klanten willen wegjagen is er dus geen enkele supermarkt en vrijwel geen restaurant of café te vinden dat alcohol verkoopt. Wel zijn er enkele kleine winkeltjes (soort tabakszaken) te vinden met het logo van Efes (Turks bier) voor de deur, waar alcohol gekocht kan worden die je vervolgens in een zwart plastic tasje meekrijgt. Mensen op straat moeten immers niet zien dat je bier hebt gekocht… Als je iemand met een zwart plastic tasje ziet lopen weet je natuurlijk meteen hoe laat het is, maar toch.

De volgende ochtend hebben we afscheid genomen van Janjaap, die op het moment van schrijven alweer in Europa is aangekomen (Bulgarije). Hij gaat via Bulgarije, Macedonië, Albanië, Montenegro, Bosnië, Servië, Hongarije, Oostenrijk, Tsjechië en Duitsland weer naar huis. In totaal verwacht hij hier ongeveer een maand over te doen.

Derek en ik verhuisden naar een goedkoper hotel, waar we 5 nachten hadden geboekt om vanuit daar alle visum rompslomp te regelen. Het hele visumgedoe voor Iran en Pakistan is een lang verhaal. In het kort komt het er op neer dat we onze paspoorten naar Nederland moesten sturen om vanuit daar het visum voor Pakistan aan te vragen en het is nog maar de vraag of dit helemaal gaat lukken. Daarna kunnen we vanuit Erzurum het visum voor Iran aanvragen. Een uitgebreidere klaagzang over het visumdrama staat hieronder in rode tekst, maar als je geen zin hebt in lezen over bureaucratisch geneuzel dan zou ik dat stuk vooral overslaan.

Klik hier voor het visumdrama

In Nederland hadden wij een visumbedrijf ingeschakeld om onze vragen te beantwoorden en onze aanvragen bij de ambassades in Den Haag in te dienen. De eigenaar van dit visumbedrijf vertelde ons dat Pakistan als eis heeft dat je eerst de visa van het land ervoor en het land erna moet hebben. We vonden dit al een vreemde regel, want als elk land deze eis zou hebben kan er theoretisch gezien geen enkel visum aangevraagd worden. Enfin, we vertrouwden op zijn advies en gingen eerst Iran aanvragen. Hiervoor hadden we een uitnodiging nodig die hij niet kon regelen, maar een ander bedrijf genaamd CIBT kon dit wel en dit zou zo’n 3 weken duren. In de tussentijd hebben we India, Rusland en Kazachstan geregeld. Alles duurde langer dan verwacht en de aanvraag voor Iran kon pas een week voor vertrek  worden gestart. Ineens kregen we het bericht dat de regels van de Iraanse ambassade waren aangepast en dat we zelf naar het consulaat moesten om bij de aanvraag onze vingerafdrukken achter te laten. We sprongen direct in de auto naar Den Haag. Eenmaal aangekomen bij het consulaat werd ons verteld dat we na afgifte van het visum binnen 14 dagen het land in zouden moeten. Nou rijden wij niet langzaam, maar in 14 dagen van Nederland naar Iran zagen wij niet zitten. Het advies bij het consulaat was om de uitnodiging die het CIBT had geregeld naar het consulaat in Erzurum te laten sturen, zodat we daar het visum voor Iran konden aanvragen. Aangezien Pakistan het visum voor Iran zou eisen, konden we Pakistan ook nog niet aanvragen. We zochten even kort op internet en lazen dat het mensen wel is gelukt om in Iran het visum voor Pakistan aan te vragen.

Toen we in Erzurum waren aangekomen bleek dat de uitnodiging voor Iran niet verstuurd kon worden naar het consulaat in Erzurum, omdat de uitnodiging al te oud zou zijn. Het visum voor Iran viel dus nog niet mee, maar in de tussentijd hadden we veel verhalen op internet gelezen en kwamen we tot de conclusie dat Iran geen probleem moet vormen. In het ergste geval zouden we nog 2 weken moeten wachten op een nieuwe uitnodiging. In de tussentijd wilden we het visum voor Pakistan gaan regelen. Na twee dagen lang onderzoek op internet bleek echter dat Pakistan de regel heeft (al sinds meer dan een jaar) dat je het visum alleen in je thuisland kan aanvragen. Inmiddels hadden we het visumbedrijf dat we hadden ingeschakeld flink vervloekt, de informatie die we kregen klopte vaker niet dan wel en als we alles zelf gedaan zouden hebben waren we hier al veel eerder achter gekomen. Er zat niets anders op dan de paspoorten naar Nederland te versturen. We hadden afgesproken dat het andere visumbedrijf, CIBT (een grote internationale organisatie), onze aanvraag voor Pakistan zou behandelen. Zaterdag 11 mei verstuurden we onze paspoorten inclusief aanvraag voor Pakistan naar CIBT in Nederland. Woensdag 15 mei kreeg ik een telefoontje vanuit Istanbul, blijkbaar begrepen ze het adres niet. Dit was een postbusnummer en daar deden ze niet aan. We gaven snel het bezoekadres door van CIBT en de volgende dag werden onze paspoorten afgeleverd. Vrijdag kregen we te horen van CIBT dat het consulaat onze aanvragen had geweigerd, omdat we geen werkgeversverklaring hadden bijgevoegd (dat was volgens CIBT niet noodzakelijk). We gingen gelijk naar een internetcafé om onze werkgevers een werkgeversverklaring te laten ondertekenen en ingescand terug te mailen. Na deze snelle service van onze werkgevers (bedankt!) konden we de scans doormailen naar CIBT. Helaas was het de volgende dag weekend en de eerstvolgende maandag Pinksteren, waardoor dinsdag de aanvraag pas weer kan worden ingeleverd bij het consulaat.

Wij willen voor Pakistan een double entry visa hebben, wat betekent dat we twee keer Pakistan in mogen. Dat is nodig, omdat we tussendoor naar India willen. CIBT zegt echter dat Pakistan alleen maar een double entry visum afgeeft als je al eerder in Pakistan bent geweest. Op internet lezen we hier echter niets over, dus we proberen het gewoon. In het ergste geval weigert Pakistan onze aanvraag en kunnen we heel Pakistan niet in. Dan hebben we een probleem. In het iets minder erge geval krijgen we een single entry visa, waardoor we niet tussendoor India in kunnen. India vervalt dan uit het reisplan. In het meest optimale geval krijgen we een double entry visa en kunnen we onze reis als gepland vervolgen (weliswaar met wat minder tijd in Iran en Pakistan, maar dat kunnen we hebben in de tijdsplanning).

Inmiddels is er een nieuwe aanvraag voor een uitnodiging voor Iran in gang gezet. Die is ongetwijfeld eerder klaar dan dat de paspoorten weer terug in Turkije zijn. Zodra we de paspoorten weer hebben kunnen we het visum voor Iran in Erzurum gaan aanvragen en daarna kunnen we eindelijk door! 

Tot 14 mei zaten we nog in het hotel in Erzurum. Naast het regelen van de visa hebben we allerlei reparaties laten uitvoeren, zoals wat kapotte ritsen van het motorpak, afgebroken bidonhouders aan de koffers en een gescheurde tentzak. Verder hebben we de paar toeristische attracties die Erzurum te bieden heeft bezocht (lang leve de Lonely Planet).

We besloten om naar de Zwarte Zee te rijden, in de hoop daar een leuke camping aan het water te vinden met internet (om de voortgang van de visa-aanvragen te kunnen volgen). Het zou daar ook wat beter weer zijn dan in Erzurum. Het eerste uur rijden vanuit Erzurum was het nog redelijk koud, maar daarna werd het meteen beter. We reden door een schitterend gebied en stopten nog bij de Tortum waterval, die met 50 meter hoogte niet spectaculair maar toch wel heel mooi was. We reden door naar de kust, een tocht van 230km die fantastisch begon met slingerende wegen door mooie natuur. Halverwege waren er een hoop wegwerkzaamheden en werden de wegen slechter, dat hield helaas niet op tot we aan de kust waren. Daar werden we ontvangen met een donkere lucht en regen, maar gelukkig hield dat vrij snel op toen we in Fındıklı aankwamen, waar volgens google een camping zou zitten. Echt een camping kon je het niet noemen, maar er was wel een café (met Efes!) dat was gesloten en een grasveldje. We besloten om onze tentjes op te zetten en af te wachten of er ’s avonds nog iemand zou langskomen. In de tussentijd liepen we het stadje in, waar een jongen die een paar woorden Engels sprak (letterlijk) ons uitnodigde om een kopje thee te komen drinken in zijn café. In dat café kwam na een half uurtje ineens een man naar ons toe die de eigenaar bleek te zijn van de camping waar we onze tentjes hadden opgezet. Zijn broer zat ook in het café en had begrepen dat wij een camping zochten, dus die had hem gebeld… Een klein stadje, blijkbaar. Samen met de campingeigenaar, die wel een klein beetje Engels sprak, liepen we terug naar de camping. Samen met hem en een jongere stamgast hebben we de hele avond buiten gezeten, Efes gedronken en vlees gegrild. Genieten!

Een kleine drie uur rijden richting het westen lag volgens de Lonely Planet nog een klooster in de bergen die de moeite waard was om te bezoeken. Daar in de buurt zouden ook genoeg campings zijn, dus reden we daarheen. Het stuk rijden langs de kust was niet geweldig, maar het laatste half uur het binnenland in bestond uit mooie bergen met groene bossen. Het bleek niet voor niets zo groen, het regent er regelmatig…

De volgende dag zijn we naar een goedkopere camping verhuisd, zo’n 2 km verderop. Daar ontmoetten we een Nederlands stel van eind 50, begin 60 (schatten we), dat een rondje Zwarte Zee aan het doen was met een camper. Het was leuk om de ervaringen in Turkije met andere Nederlanders uit te wisselen.

Die middag reden we richting een stadje in de buurt, waar we wat informatie over het klooster wilden zoeken. Onderweg kwamen we ineens twee motorrijders uit Oostenrijk tegen, die op weg waren naar het klooster. We besloten om daar samen heen te rijden en over een verrassend leuke slingerweg reden we met z’n vieren naar het klooster in de bergen. Het was een mooi gezicht van buiten, maar we zijn het klooster niet in geweest. De Oostenrijkers hadden hier weinig zin in en wij vonden het ook wel prima, in Griekenland vonden we de kloosters van buiten ook veel mooier dan van binnen. Daarna zijn we naar het stadje in de buurt gereden om met z’n vieren wat te gaan eten. In half Engels en half Duits hebben we de hele middag gezellig zitten ouwehoeren, waarna we bij hetzelfde restaurant gelijk maar hebben gedineerd. Eén van de Oostenrijkers vroeg aan de ober of ze ook Efes hadden. Dat hadden ze niet, maar de ober wilde wel naar een winkeltje in de buurt gaan om voor ons Efes te kopen. Kort daarna kwam hij terug met vier blikken Efes met een grijs papiertje er omheen gewikkeld, want voorbijgangers mochten natuurlijk niet zien dat we bier dronken. Nu dronken we papier.

De twee Oostenrijkers, beiden in de 50, hadden wel een tentje bij zich maar hadden toen alleen nog in hotels geslapen. Deze nacht vonden ze het echter wel leuk om mee te gaan naar de camping, waar we middernacht hun tent hebben opgezet. De volgende ochtend hebben we na het ontbijt weer afscheid genomen van de Oostenrijkers.

Die avond kwam er een fietser aan op de camping en ja hoor, het was een Nederlander. Hij was van Istanbul naar Teheran (Iran) aan het fietsen. We hebben de hele avond reisverhalen uitgewisseld bij een iets te groot kampvuur (2 liter benzine bleek toch wat overdreven om een kampvuurtje aan te maken).

We hadden op internet gezien dat de weersverwachting aan de kust niet zo goed was en dat we richting het zuiden moesten rijden voor mooi weer. We vonden een gebied met een paar meertjes, waar we misschien wel een camping konden vinden (die zijn er niet veel in Turkije). Het zou ongeveer anderhalve dag rijden zijn. De eerste dag was niet geweldig en het was nog redelijk slecht weer. Tegen het einde van de dag werd het droog en de omgeving werd steeds mooier. We reden we langs een rivier tussen enorme rotsen en watervallen. We vonden een grasveldje langs de rivier, waar we die nacht wilden kamperen. Al snel kwam er een jongen vanuit de overkant van de straat gelopen, die daar met wat vrienden aan het BBQ-en was en ons uitnodigde om mee te eten. Dat aanbod sloegen we natuurlijk niet af en samen met wat zeer matig Engels sprekende Turken aten we lekker vlees en dronken we …. water.

De volgende ochtend begon goed, met lekker weer en een mooie route. In de stad Elazig hebben we in een internetcafé via booking.com een goedkoop hotel geboekt in Malatya, op ongeveer een uur rijden afstand. We hebben bij een restaurantje langs de weg geluncht, waarna – zoals wel vaker het geval is – er ongeveer 10 mensen, waaronder al het personeel van het restaurant, ons stonden uit te zwaaien toen we wegreden. In de middag kwamen we aan bij het hotel in het centrum van Malatya,  inclusief dakterras op 6 hoog waar we onbeperkt thee kunnen drinken.

Vanuit het hotel hebben we dit blogbericht gemaakt en uitgezocht wat we willen gaan doen en of er campings in de buurt zijn. Dat laatste is niet het geval en we zijn nu van plan om te kijken of we bij een meer in de buurt kunnen wildkamperen voor 1 of 2 nachten. Als de weersvoorspellingen wat beter worden, willen we nog naar het Van meer, een gigantisch meer in het oosten van Turkije. We balen er van dat we nog niet door kunnen, maar er zijn zeker vervelender landen om wat langer te moeten blijven!

Groeten vanuit Turkije en dit keer hopen we wederom dat het volgende bericht vanuit Iran geplaatst kan worden…!

Welcome to Asia

Allereerst willen we iedereen bedanken voor alle leuke reacties. Het is onwijs leuk om te horen dat er zoveel mensen met ons meeleven.

Vanuit het Griekse hotel waar we het vorige bericht hadden geplaatst, reden we naar Meteora. Daar zijn hoge rotspartijen te vinden met kloosters op de toppen. We vonden een camping vlakbij de kloosters en daar spraken we een Nederlands gezin dat al twee maanden aan het reizen was met een vouwwagen. Kort daarna bleek er nog een reislustig Nederlands gezin op de camping te staan, dat met een camper al door Marokko was gereisd. Zelfs met een gezin kun je dus nog dit soort dingen ondernemen!

We stapten op de motor om naar een van de kloosters op de bergen te rijden. De korte rit er naar toe was al erg mooi, met continu zicht op verschillende kloosters op grote rotsformaties die uit het niets uit de grond lijken te verschijnen. We bezochten één van de kloosters en zijn toen de reis voortgezet naar de stad Thessaloniki, waar we een hotelletje hadden geboekt voor twee nachten. De wegen in Griekenland bleken soms spekglad te zijn. Nadat we alle drie al wat slippende banden hadden meegemaakt, waren we het vertrouwen in het asfalt helemaal kwijt. Bij het remmen voor een stoplicht begon een vrachtwagen naast ons zelfs te glijden. Als een stelletje oude oma’s maakten we de rit af en aan het begin van de avond kwamen we aan bij het hotel.

Derek is 24 geworden en dat moest natuurlijk gevierd worden. De dag begon met uitslapen, voor het eerst deze reis. Daarna hebben we wat tijd besteed op de laptop om alvast een appartement in Istanbul te vinden en wat onderzoek te doen voor nieuwe banden voor Marco en Derek. In de middag zijn we in de bus gestapt naar het centrum van Thessaloniki, waar we in de volle zon wat hebben rondgelopen en enkele terrasjes hebben gepakt. Marco had een Griekse klasgenote en die had nog wat vrienden in Thessaloniki. ’s Avonds hadden we met één van deze vrienden afgesproken. Hij liet ons een paar leuke uitgaansgelegenheden zien en samen met wat vrienden van hem vierden we met een leuk avondje stappen Derek’s verjaardag.

blogfotos2-13042201 We konden tot  10 uur uitslapen en zijn toen na het ontbijt naar een BMW dealer in de buurt gereden, waar Janjaap een afspraak had om de in Albanië provisorisch gerepareerde kleppendeksel voor de zekerheid te vervangen voor een nieuwe.  In de tussentijd zijn Derek en Marco naar een bandenwinkel gereden, waar ze beiden een nieuwe set banden hebben laten monteren. De dag ging hard en er bleef weinig tijd meer over om nog een eind richting Istanbul te rijden. Uiteindelijk hebben we zo’n 80km gereden en zijn toen een willekeurig zandpad ingereden om een slaapplaats te zoeken. Voor het eerst in deze reis zijn we gaan wildkamperen, op een mooie plaats in de heuvels met uitzicht op wat dorpen.

De volgende dag hadden we nog geen vertrouwen in het wegdek en met nieuwe motorbanden moet ook altijd 100km rustig aan worden gereden, dus we deden erg voorzichtig. Daarna werden de wegen steeds beter en leidde de route ons over mooie bochtige wegen afgewisseld met wat off-road en een heuse rivierdoorwading. We waren op weg naar een camping dichtbij de Turkse grens, maar eenmaal daar aangekomen vroegen ze 35 euro voor de campingplaats en besloten we om door te rijden naar Turkije. Nadat we bij zo’n 6 loketten onze papieren moesten laten zien, mochten we Turkije in. De eerste stad die we inreden deed ons gelijk weer denken aan Albanië, het westerse stadsbeeld is hier verdwenen we werden weer gezien als een attractie. Na een broodje döner zijn we op zoek gegaan naar een slaapplaats.

 Na wat willekeurige zandwegen te zijn ingereden en te zijn weggestuurd bij een militair terrein, vonden we een prachtige plaats om te wildkamperen. Later die avond reed er een auto over het zandpad langs onze tenten. We hoorden dat ze uitstapten en we liepen er naar toe. Ze kwamen met bier in hun handen uit de auto gestapt en vonden ons duidelijk wel grappig. Na zo’n 20 minuten communiceren middels handen- & voetenwerk, haalden een van de Turken een smartphone uit zijn zak met Google Translate en konden we nog wat woorden wisselen. Ze waren in het bos aan het jagen op wild, maar volgens ons waren ze meer aan het bierdrinken.

Vanuit de mooie wildkampeerplaats zijn we vertrokken naar Istanbul. De weg die we namen was een iets te saaie soort snelweg, maar we wilden wel enigszins op tijd aankomen bij het hotel dat we hadden gereserveerd, dus we reden maar even door. Iets te hard, dat wel. Voor het eerst deze reis werden we aangehouden door de politie, die een bon uitschreef voor 17km/h te hard. We hoefden nog niet te betalen, dat moeten we doen als we Turkije verlaten. We hopen niet dat er straks een stapel boetes klaarligt bij de grens…  Naast de dure boete, schrokken we van de benzineprijzen: ruim 2 euro voor een liter.

Istanbul bestaat uit een Europees en een Aziatisch deel, gescheiden door de rivier de Bosporus. Aan het einde van de brug over de Bosporus zagen we een bord: “Welcome to Asia”. Het was een gaaf besef dat we met de motor naar Azië zijn gereden! Bij het hotel werden we hartelijk ontvangen door onder anderen een man uit Iran, die meteen enthousiast was toen hij hoorde over onze plannen. Hij heeft ons een paar telefoonnummers meegegeven van vrienden van hem in Iran, die het leuk zouden vinden als we hen bezoeken.

’s Avonds hebben we onze vriend Timon opgehaald van het vliegveld. Hij heeft voor ons nog wat reserve onderdelen meegenomen waarvan tijdens de eerste weken is gebleken dat die nodig zijn.

Gedurende vier dagen hebben we samen met Timon de toerist uitgehangen in Istanbul. Ons hotel lag in het Aziatische deel en er ging de hele dag een ferry naar het Europese deel, waar de meeste toeristische trekpleisters zijn te vinden. We hebben een paar toeristische attracties bekeken, zoals de Blue Mosque, de Grand Bazar, Aya Sofia (moskee) en het paleis Topkapi. Verder hebben we nog een dag fietsen gehuurd op een van de Princes’ Islands. Janjaap en Derek zijn nog een middag naar de BMW dealer geweest om een onderdeel voor Janjaap’s motor te halen, dat met zijn val in Albanië kapot was gegaan. Bij de dealer ontmoetten ze een enthousiaste motorrijder (Shahram) afkomstig uit Iran, die ons uitnodigde om de volgende dag met hem te ontbijten. Op die uitnodiging gingen we graag in, dus op onze laatste dag in Istanbul (waarop we eigenlijk om 12 uur Istanbul wilden verlaten) hadden we om 11uur afgesproken bij ons hotel. Hij kwam, natuurlijk, op de motor en had een vriend van hem achterop meegenomen (Samet). Vanuit het hotel zijn we met de motoren naar een restaurant gereden met schitterend uitzicht op één van de twee bruggen over de Bosporus die Europa met Azië verbinden. We voldeden met onze smoezelige motorpakken niet echt aan de kledingstandaard, maar we hebben er heerlijk gegeten en leuke verhalen uitgewisseld. Shahram en Samet waren erg jaloers op onze reis. Shahram heeft nog veel leuke tips gegeven voor Iran en heeft vrienden van hem in Teheran ingeschakeld om ons op te vangen als we daar zijn. Hij zei dat we hem moesten bellen als er iets was in Iran, omdat hij veel connecties heeft daar. Ze stonden er op om de lunch te trakteren en na het afscheid vertrokken we uit Istanbul, zo’n 4 uur later dan de geplande tijd. In de schemer zetten we onze tenten op tussen de appelbomen, waar de boer had toegezegd dat we er mochten slapen.

De volgende dag stonden we vroeg op om richting Cappadocië te rijden, waar we ongeveer 2.5 dag over verwachtten te doen. Onze route volgde een gevarieerde weg, door mooie landschappen met groene bossen en uitgestrekte vlaktes met rotsen. Aan het einde van de middag vonden we een mooie plaats om te kamperen. Een boer uit het nabij gelegen dorp kwam ’s avonds nog een kijkje nemen. Aangezien het gesprek niet veel verder kwam dan “Ah, Hollanda, Kuijt, Fenerbahce, haha!”, liet de boer ons na enkele minuten weer alleen.

De dag daarna zouden we aankomen op een camping vlakbij een aantal bezienswaardigheden in Cappadocië. Zoals eigenlijk alle dagen van de afgelopen drie weken, was het fantastisch weer. We reden door een mooie landelijke omgeving en het was erg rustig op de weg.

Ineens gebeurde er iets wat je als motorrijder hoopt nooit mee te maken. We reden rustig op een kruispunt af en ik, Marco, reed voorop. Links voor het kruispunt stond een gebouwtje, waardoor het onmogelijk was om te zien wat er van links kwam. Langzaam reed ik het kruispunt op en keek naar links. Ineens zag ik een auto met een noodvaart op mij afkomen. Op dat moment stond mijn voorwiel al op het kruispunt. Ik besefte me dat ik de auto niet meer kon ontwijken en riep “KUT” door de intercom. Ik probeerde nog te remmen en iets naar rechts uit te wijken, waarna de auto met de rechter voorkant tegen mijn voorwiel knalde.  Ik werd van de motor gelanceerd maar ben zelf gelukkig niet door de auto geraakt. Een fractie van een seconde later lag ik op de grond, op mijn rug. Janjaap en Derek sprongen van hun motor en kwamen mij toegesneld. Meteen al zei ik door de intercom: “stom, stom, dit had ik kunnen voorkomen”. Bang voor de gevolgen, wachtte ik even af tot de adrenaline was weggezakt en kwam daarna langzaam overeind om de schade op te nemen. Enigszins verrast kwam ik tot de conclusie dat ik niets had gebroken. Vervolgens keek ik naar de motor, die zag er meer gehavend uit. Het ergste was het voorwiel, dat was zichtbaar krom. Ik vreesde meteen voor een kromme voorvork. Verder was de bagage eraf gevlogen, het kenteken lag er naast en de knipperlichten achter hingen los. De voorbumper van de auto lag zo’n 20 meter verder op straat en de auto was nog veel verder tot stilstand gekomen. Binnen 2 minuten was de politie ter plaatse en stonden er een hoop mensen om ons heen. Ook werd er een Engels docente van een school gehaald om te komen vertalen. Niet veel later was de ambulance gearriveerd, mij werd gevraagd of ik mee wilde naar het ziekenhuis voor een onderzoek. Veel agenten en andere omstanders waren geïnteresseerd in mijn motorpak en waren verbaasd over alle bescherming. Motorpakken gebruiken ze daar nauwelijks, maar zonder motorpak had ik er zeker niet zo bij kunnen staan.

schets-van-ongeluk Nadat ik een formulier had ondertekend waarin stond dat ik  zelf de keuze maakte om niet mee te gaan naar het ziekenhuis, reed de ambulance weer weg. Inmiddels had de politie mij duidelijk gemaakt dat ik twee keuzes had: ik kon de schade officieel afhandelen en meegaan naar het politiebureau om een rapport te laten schrijven, of ik kon zelf met de bestuurder van de auto een prijs onderhandelen. Een agent drong erg aan om voor de tweede optie te gaan, omdat ik volgens hem weinig kans had in het gelijk te worden gesteld. In Turkije gelden er op dit soort kruispunten immers geen regels, aldus de politieagent. Ondanks de druk van zo’n 20 ongeduldige Turken, heb ik na een telefoontje naar mijn vader (tevens tussenpersoon voor de verzekering) en veel overleg met Janjaap en Derek, het besluit genomen dat ik sowieso een politierapport wilde hebben. In het politiebureau heb ik, uiteraard met een kopje cay  (Turkse thee), een rapport laten opstellen. Na een ruim half uur was het rapport klaar en vroeg ik de tolk om te vertellen wat er in het rapport stond. De agent had netjes een situatieschets gemaakt en daaronder beschreven dat het ongeluk niet mijn schuld was, maar de schuld van de autobestuurder die te hard reed.

Vervolgens werd de motor versleept naar een lokale tractor garage, die de motor – gek genoeg – niet kon repareren. Ik schakelde de alarmcentrale van de motorverzekering in (ANWB) en die regelde vervoer naar Ankara, waar een Yamaha dealer zou zitten. Na ongeveer twee uur rijden kwamen we aan in Ankara en de monteur zei dat hij alles wel kon repareren, alleen de remschijf zou hij nieuw moeten bestellen en dat zou ongeveer 3 dagen duren. Op het moment dat ik dit bericht schrijf, zitten we inmiddels twee dagen in Ankara en vanmiddag kreeg ik te horen dat de motor morgen klaar is. We hopen van harte dat de motor morgen inderdaad goed is gerepareerd, zodat we zaterdag de reis kunnen voortzetten!

Afgezien van wat spierpijn en blauwe plekken lijkt het erop dat ik niets heb overgehouden aan het ongeluk en daarmee heb ik echt veel geluk gehad. We zijn weer even met onze neus op de feiten gedrukt en beseffen ons nu zo mogelijk nog meer dat we voorzichtig moeten doen. Vandaag zijn we langs wat motorzaken geweest zodat ik o.a. een nieuwe helm kon kopen.  De spierpijn trekt langzaam weer weg, het materiaal is bijna in orde… we hebben zin om weer op pad te gaan!

Janjaap zal ons nog een kleine week vergezellen, waarna hij in zijn eentje aan de terugweg gaat beginnen. We hopen het volgende blogbericht vanuit Iran te schrijven, waar we over (ruim) 10 dagen hopen aan te komen.

10 dagen, 10 landen

Bij deze dan eindelijk het eerste bericht! Het heeft misschien iets langer geduurd dan verwacht, maar de eerste dagen waren dan ook niet heel anders dan een willekeurige motorvakantie die we de afgelopen jaren hebben meegemaakt. Allereerst willen we iedereen enorm bedanken voor de leuke berichten.

Op het moment van schrijven hebben we al ruim 3500km gereden, verspreid over 10 landen. Over het algemeen gaat de reis tot nu toe voorspoedig, afgezien van een paar kleine technische problemen die inmiddels voor een deel al zijn opgelost. We hebben heel veel geluk met het weer, de eerste paar dagen waren vooral ’s avonds heel koud, maar vanaf de derde dag is de gemiddelde middagtemperatuur zo’n 20/25 graden. Ook hebben we nauwelijks regen gehad. Dat maakt het kamperen heel goed vol te houden en we hebben de verleiding van een hotel dus nog makkelijk kunnen weerstaan (tot vandaag…).

Op de dag van vertrek verzamelden we bij Derek, samen met het uitzwaai comité. Na een moment van afscheid en het poseren voor wat vertrekfoto’s zijn we vertrokken. Eindelijk was het dan zo ver! We reden meteen de snelweg op naar Duitsland. Na vier uur snelweg hebben we nog even binnendoor gereden en kwamen we eind van de middag aan op de eerste camping. Aan het einde van de avond hadden we een paar spatjes regen en het was wel koud, maar verder hadden we niet te klagen.

De tweede dag hebben we wederom een paar uur snelweg gereden en het laatste stuk naar de camping binnendoor. De camping bevond zich vlakbij de grens van Oostenrijk en we keken uit op de met sneeuw bedekte bergen van de Alpen. ’s Nachts was het weer aardig koud en zagen we de tenten glinsteren door een klein laagje ijs. Gelukkig zijn de slaapzakken en –matjes geschikt voor temperaturen rond het vriespunt.

De volgende dag reden we door de sneeuw de Alpen in over de Fernpas . De wegen waren vrij van sneeuw en het was best mooi rijden.  We besloten om naar Innsbruck te rijden om bij een grote motorzaak een nieuw onderdeel van het communicatiesysteem voor Marco te kopen, die functioneerde namelijk niet goed meer. Eenmaal over de eerste bergen, werd het steeds beter weer. We kochten bij de motorzaak meteen een thermometer die we op het dashboard van Derek zijn motor hebben geplakt. Het bleek 25 graden te zijn  in de zon! Daarna zijn we doorgereden naar Italië, waar we onderweg zijn gestopt om, natuurlijk, pizza te eten. De wegen waren fantastisch, zoals we gewend zijn van de Dolomieten. Na het eten hebben we nog even doorgereden tot we een camping vonden en nog net voor het donker de tenten konden opzetten.

Langs de wijngaarden tegen de bergen van de Dolomieten reden we donderdag naar een omgeving zonder bergen en helaas met wat saaiere wegen. De omgeving was wel desondanks mooi. De lichtgekleurde huizen, de palmbomen en de temperatuur (de thermometer gaf 30 graden aan in de zon), zorgden voor een typisch mediterrane uitstraling.  Op een camping met uitzicht over de Adriaanse zee  hebben we ons tentje opgezet en hebben we een lekkere Italiaanse pasta gemaakt.

Op vrijdag hebben we helaas in de regen moeten inpakken. Binnen een uur waren we bij de Skocjan caves in Slovenië, waar we bij het uitzichtpunt een mooi beeld kregen van een paar grotten en een grote waterval. We hadden nog een aardige rit voor de boeg, dus zijn vrij snel weer doorgegaan richting de Plitvice meren in Kroatie. Tot twee keer aan toe werden we geweigerd bij de grens van Kroatië omdat we blijkbaar niet zomaar elke grensovergang mochten nemen als toeristen. Uiteindelijk hebben we de juiste grensovergang gevonden en na even wachten konden we onze reis voortzetten. De laatste paar uur rijden werd het weer beter en de omgeving in Kroatie was absoluut de moeite waard. We vonden een camping vlakbij de Plitvice meren, waar we de volgende dag even een kijkje wilden gaan nemen.

We werden wakker met mooi weer en na het ontbijt hebben we de tenten weer ingepakt en zijn we naar het informatiepunt voor de Plitvice meren gereden. Vanuit daar hebben we een mooie wandeling gemaakt langs een aantal watervallen. Het park zat vol met toeristen, waaronder veel Amerikanen en Aziaten met fotocamera’s… Het was desondanks zeker de moeite waard, de Plitvice meren zijn erg mooi en het is met recht een populaire vakantiebestemming. Een kleine twee uur later stapten we weer op de motor richting de plaats Split. De binnenlanden van Kroatië waren een verrassing voor ons. Het deed ons een beetje denken aan de landschappen van Mexico en Amerika die we uit films kennen; lang uitgestrekte wegen en kleine dorpjes met vrijstaande huizen, een bar en een supermarktje. We konden gerust met 120km/h doorrijden door de dorpen, maar gelukkig deden we dat niet; de politie stond er te laseren. De uitgestrekte wegen werden afgewisseld door mooie bochtige bergwegen in een prachtig landschap. De laatste 2 uur reden we langs de kust en belandden we op een mooi gelegen camping met een enthousiaste eigenaar die speciaal voor ons nog naar de stad is gereden om vlees en vis te halen voor op de gril. Grillen doen ze hier overigens overal,  we ruiken hier elke zoveel meter een etenslucht en we zien regelmatig varkens aan het spit draaien boven de gril. We merken op dat motorrijden echt de ideale manier is om de landen te ontdekken, mede omdat je de geuren en temperatuur ook meekrijgt.

Vanuit de camping, waar we  met een geweldig uitzicht wakker werden, reden we langs de kust naar de plaats Dubrovnik. De slingerende wegen langs de kust zijn geweldig voor motorrijders. De route werd onderbroken door een klein stukje Bosnië Herzegovina . Bosnië bezit daar een klein stukje kust en breekt daarmee Kroatië op in tweeën.  Vlakbij Dubrovnik stopten we op een parkeerplaats om op de navigatiesystemen een camping te zoeken. We werden aangesproken door een man die vroeg of hij wat drinkwater van ons mocht hebben. Hij had een grote backpack met slaapmatje bij zich dus we vroegen wat hij van plan was. Hij bleek uit Roemenië te komen en al sinds 2003 aan het lopen te zijn. Hij was onder andere al in Istanbul, Griekenland en Albanië geweest, maar hij vertelde ook al naar Nederland te hebben gelopen. Daarmee valt, in ieder geval qua tijdsduur, onze reis toch wel aardig in het niet! Hij gaf nog wat tips voor plaatsen die we in Albanië zeker moesten bezoeken. We besloten om door te rijden naar Montenegro, waar we niet lang na de grensovergang een simpele camping vonden. Het leek er op dat we de eerste bezoekers waren dit jaar, alles was nog redelijk verwaarloosd. Voor ons was het helemaal prima en we zaten er goedkoop.

In Montenegro lopen aardig wat zwerfhonden, die we vanaf de camping ‘s nachts goed konden horen. Montenegro is qua omgeving aardig te vergelijken met Kroatië, maar dan wat minder toeristisch en minder westers. We zagen steeds minder grote motoren zoals wij die hebben (met meer dan 500cc) en we kregen steeds meer aandacht van de lokale bevolking, waarvan veel mensen geïnteresseerd omkeken en hartelijk zwaaiden. Als we ergens stilstaan om de route te bekijken of even wat te drinken, komen er regelmatig mensen naar ons toe om te vragen of ze kunnen helpen. Aardige mensen, die Montenegers.

Aan het einde van de middag staken we de grens over naar Albanië. We hadden verwacht dat het wel voorbij zou zijn met het mooie asfalt, dat overigens in Montenegro ook al regelmatig slechter werd. Die verwachting werd niet meteen waargemaakt, de eerste 10 kilometer was een perfect geasfalteerde snelweg waar we met gemak 120km/h konden rijden. De officiële maximumsnelheid bleek echter 40km/h, maar niemand houdt zich daaraan. Afgezien van paarden met landbouwwerktuigen en wandelaars natuurlijk, die doodleuk over de weg lopen. De politie staat regelmatig auto’s aan te houden, maar we hebben ons laten vertellen dat het meestal resulteert in het betalen van smeergeld. De eerste keer dat we langs agenten reden, dacht ik dat ze ons wilden aanhouden. Ze bleken ons echter heel interessant te vinden en lieten ons doorrijden, al zwaaiend met een grote lach en saluutgebaren. Heel fijn, we hopen dat alle agenten zo zijn in Albanië…

We vonden vrij snel een camping, waarvoor we wel eerst over een lang grindpad moesten rijden. In ons hoofd herhaalden we de geleerde lessen van de all-roadcursus en reden we naar de ingang van de camping. Dat was gelijk een goede oefening voor de vele slechte wegen die nog zullen komen. We zetten onze tent op en reden de stad Shkodër in om geld te pinnen en boodschappen te doen. Net voordat we de stad in reden maakte de strak geasfalteerde niet-zo-snelweg plaats voor een stuk grindpad met diepe kuilen vol met water. Samen met de bouwvallige gebouwen, mensen en beesten (paarden, schapen, koeien) die op straat lopen en het chaotische verkeer zorgde dit voor een heel niet-westers stadsbeeld. We zaten met een grote lach op de motor en keken onze ogen uit. Veel mensen die ons zagen rijden begonnen spontaan te zwaaien. Het verkeer zonder regels werkte op een of andere manier verbazingwekkend goed. Iedereen is bezig met het verkeer en laat andere mensen invoegen of rijdt soepel om anderen heen. Die avond besloten we zelfs dat we liever in die stad reden dan in Amsterdam. We hebben overigens geprobeerd om het stadsbeeld vast te leggen met de helmcamera, maar dit is maar matig gelukt.

We begonnen weer in Shkodër, waar we verzeild raakten op een heel slechte weg die ons door een soort vuilnisbelt leidde. Een paar modderplassen zorgden er voor dat de lichtgekleurde zomerkleding van Derek en mij ineens niet zo lichtgekleurd meer was… maar we hebben er wel om gelachen. Helaas kunnen Derek en ik niet meer goed navigeren met de TomTom in deze landen, de dekking is erg minimaal. Janjaap heeft op zijn Garmin wel een betere dekking, maar het is heel lastig in te schatten hoe goed de wegen zijn. De wegen variëren erg in kwaliteit en er zijn veel wegwerkzaamheden. Soms lijkt het asfalt heel goed, maar ontbreken er ineens putdeksels, waardoor er redelijk diepe gaten in de weg ontstaan… we beseften ons dat we heel goed moeten blijven opletten en zeker niet in het donker moeten rijden.  We reden richting het zuiden over vrij goede wegen. We legden redelijk snel kilometers af, maar vonden het toch jammer dat we daardoor wat minder van het land zagen. Soms liep de weg door steden heen en dat was leuk, maar verder ging het land redelijk snel aan ons voorbij. We besloten om een willekeurige weg richting de kust te nemen en reden over een bergweg richting de stad Himarë. Het uitzicht vanaf de berg was fantastisch en de bochtige wegen deden ons, afgezien van de staat van het wegdek, denken aan de Dolomieten in Italië. We vonden een kleine camping direct aan de zee.

Dat in het donker rijden hier gevaarlijker is hier werd bevestigd toen we ’s avonds vanuit een restaurantje veel auto’s en brommers/motoren zagen rijden zonder verlichting. Bij dat restaurantje hebben we overigens heerlijk gegeten en we waren maar 2800 Leh kwijt met z’n drieën… Dat is zo’n 20 euro.

We merken dat sommige slechte wegen, bestaande uit mul zand en/of losse stenen, nog wat meer behendigheid van ons vergen. Zowel Derek als Janjaap hebben de motor al een keer neergelegd in de losse stenen. Ze hebben er zelf gelukkig niets aan overgehouden, maar de BMW van Janjaap was er helaas wat minder blij mee. Woensdag waren we van plan om naar Griekenland te rijden, maar nog geen 50 meter van de camping vandaan begon de motor van Janjaap te slingeren door het mulle zand en kwam hij ten val op wat stenen. Het ging gelukkig niet hard, maar bij het optillen van de motor bleek er olie te lekken uit de kleppendeksel van de linker cilinder. Een steen had er een barst in geslagen. Even dachten we dat dit wel eens het einde van de reis voor Janjaap kon betekenen, maar gelukkig dachten de knutselaars in Albanië daar anders over. Janjaap belde de ANWB wegenwacht, waarbij de telefonist aangaf dat hij in zijn 6 jaar ervaring nog nooit een telefoontje heeft gehad van iemand met een kapotte motorfiets in Albanië. Ze hebben een lokale autogarage ingeschakeld die minder dan een uur na het telefoontje de motor kwam ophalen bij de camping. Nadat we de motor hadden vastgezet op de autoambulance, kwamen deze vast te staan in het mulle zand. Een 4×4 heeft nog geprobeerd om de autoambulance te slepen, maar zonder succes. Ongeveer een uur later kwam er een soort kleine vrachtwagen, die de autoambulance binnen no-time uit het zand had getrokken. Eenmaal bij de werkplaats werd de kleppendeksel gedemonteerd en chef werkplaats besloot om iemand te bellen die de boel waarschijnlijk wel kon lassen. De communicatie verliep gebrekkig via een Griekse medewerker van de werkplaats die enigszins Engels sprak. In de tussentijd waren wij naar een internetcafé gegaan om dit eerste, inmiddels veel te lange, blogbericht te schrijven. Aan het einde van de middag werd Janjaap gebeld en het enige woord dat hij verstond uit het gesprek was “motor”, dus besloot hij om maar even naar de werkplaats te gaan. De kleppendeksel was inmiddels alweer gemonteerd en de motor was weer rijklaar! De monteurs zijn de hele dag met z’n vieren bezig geweest en de rekening bedroeg 85 euro. De Albanezen blijken echt heel vriendelijke en behulpzame mensen. Overal waar we komen worden we aangesproken door mensen die een praatje willen maken, ook al kunnen ze soms geen woord Engels of Duits. Zelfs toen de BMW al op de autoambulance stond en Derek en ik op de motor daarachter reden richting de werkplaats, riepen een paar mensen nog of we hulp nodig hadden. Albanië heeft zeker een goede indruk op ons achtergelaten.

Vandaag zijn we de grens naar Griekenland overgestoken. Na een mooie rit door het zuidelijke deel van Albanië, kwamen we aan bij de grensovergang. Er stond een lange rij en we bereidden ons  voor op lang wachten. Enkele minuten later riep een douanier dat de motorrijders naar voren mochten rijden en nog geen 10 minuten later reden we over een goede weg door een kleurrijk Griekenland. Het is duidelijk meer westers dan Albanië en de prijzen helaas ook. Na een korte rit door de bergen zijn we aangekomen bij een goedkoop hotelletje met internet, zodat we dit verhaal en de foto’s / filmpje online konden zetten!

De komende week verwachten we wat minder kilometers af te leggen en over precies een week hopen we in Istanbul te zitten, waar onze vriend Timon met het vliegtuig nog wat nabestellingen van ons komt afleveren en een paar dagen gezellig met ons Istanbul gaat verkennen. We verwachten tegen die tijd weer eens een bericht te kunnen plaatsen.

Bijna!

Het vertrek komt al in zicht, maandag 8 april vertrekken we vanuit Wehl! De laatste voorbereidingen zijn in volle gang.

We zullen proberen om regelmatig een bericht te plaatsen op deze website.